BLOGJES

12.000

Omdet ich mieër mót bewaege höb ich noe ’ne activity maeter. Dae zuut oet wie ’ne zwarte ermbandj mit e vinsterke wo se in kins aaflaeze wieväöl calorieë se verbroek höbs, wie laat ’t is en wieväöl stappe se dae daag nag mos make om gezóndj te blieve. Normaal zeen d’r det 10.000, mer óm mien vètrolle kwiet te waere höb ich mich det opgehuueg toet 12.000. (Det is van biej ós toet oppe Brunssummerhei, toet oppe mert in Zittert of toet biej de Hamacher in Gangelt.)
Dizmorge, wie ich mich ’t dink omdeej, haw ich al 300 calorieje verbroek. Mit slaope! Det geit van allein, dach ich, mer wie ich wiejer keek, zoog ich det ich dae daag nag 120 menute mós wanjele om aan mien 12.000 stappe te kómme. Ich stóng get dökker op óm mich ’n tas koffie te make. Leep de trap extra op en aaf, voordje boete de veugelkes en ging te voot nao de breevebus.
Mer óm kóffietied mós ich nag ummer diek 9.000 stappe. Ofwaal 1 oer en 53 menute wanjele. Ofwaal 50 menute renne.
En boete raegende ‘t.
Toch zat ich de computer oet, deej de raengejas aan en ging nao boete om gezóndj te waere.
Ich leep de straot oet en ’t durp oet. Aaf en toe stóng ich stil om op miene maeter te kieke. Ich leep de berg op en de berg weer aaf. Doe de haole waeg in. Dao stóng de maagdepalm paars te bleuje.
De eikelkes ónger mien sjoon kraakdje gezellig.
Ich zoog ‘ne miens dae huij voordje aan zien perd.
Dao loog ’ne tak dae op e hertegewei leek.
Op ’n akker vloog ‘ne zilverreiger op.
’Ne jóng leet ’ne liëlike hóndj oet.
Esse de ouge aope höbs, is van alles te zeen, dach ich. En ’t raegentj neet mieër. Ich deej mich de möts aaf en veuldje de activity maeter euver mien gezich kratse. Verrek jao, dae activity maeter, mien 12.000 stappe!
In ’t vinsterke stóng det ich klaor woor veur vandaag.
En mit plezeer gaon ich morge weer.

Olifant

Soms zou ik een olifant willen zijn.
Gisteren kwamen we terug van vakantie en het was weer zover. Kostbare uren verspild met zoeken. Weer vergeten waar we onze Belangrijke papieren en Kostbare spullen hadden weggestopt. De garage? Onder het bed? Bezemkast? Meterkast? Zolder, kelder of bijkeuken?
Het is stom, ik weet het. Nóg stommer is dat het ons keer op keer gebeurt. Na elke paniekerige zoekactie beloven we elkaar de volgende keer gestructureerd en logisch te werk te gaan. Dat hadden we ditmaal ook gedaan. Eerlijk waar. We hadden Belangrijk en Kostbaar op een voor de hand liggende plaats weggelegd en opgeschreven wáár we wát hadden opgeborgen. Mijn man had niet voor niets een half uur met de spullen in een oude tas door het huis gelopen, voordat we eindelijk de meest veilige en logische plek konden noteren.
Gisteren kwamen we dus thuis. Uitgerust en ontspannen. Onder het uitpakken vroeg hij: ‘Weet jij toevallig waar de papieren en zo liggen?’
‘Heb je in een tas gestopt!’ riep ik uit de bijkeuken.
‘Weet ik, maar waar ís de tas?’
Met mijn armen vol wasgoed kwam ik de woonkamer binnen. ‘Dat hebben we toch opgeschreven?’
‘Ja, maar…’
Even keken we elkaar onthutst aan. Wie het eerst begon te lachen, weet ik niet meer, maar toen we bijgekomen waren, begon de zoekactie. We vlooiden zijn agenda, mijn agenda en de keukenkalender door en op de allerlaatste bladzij van de kalender vonden we wat we zochten. De laatste bladzijde van de kalender, achteraf natuurlijk de meest logische plaats voor niet-te-vergeten mededelingen. Triomfantelijk keken we elkaar aan: nu konden we zó het geërfde gouden horloge boven water toveren. Wat waren we tevreden over onszelf.
Niet voor lang. Vanmorgen in het fietsenschuurtje keek hij me met opgetrokken wenkbrauwen aan. Voordat we op vakantie gingen, hadden we onze nieuwe fietsen afgesloten. Wel zo veilig. Er lag al een grijns om zijn lippen, voordat de vraag kwam of ik misschien toevallig nog wist waar, o waar…, onze fietssleutels konden zijn?
Soms zou ik echt een olifant willen zijn, niet voor de dikke huid, maar voor dat goede geheugen!

opm. Iemand die mijn blogje las, zei dat het niet zo handig was om dat soort info op internet te zetten. Dat klopt natuurlijk, maar daar staat tegenover dat schrijvers niet altijd de hele waarheid schrijven. ;)

 

Voorlezen

Jaren geleden werd ik gevraagd om ergens in een tehuis iets voor te lezen uit eigen werk. Als beginnend schrijver zeg je natuurlijk geen nee tegen zo’n uitnodiging. Toch is het fijn een beetje te weten waar je aan toe bent, maar de organisatie kon mij niet veel vertellen. Niet hoe groot het publiek was, wat ze leuk zouden vinden of wat ze van mij verwachten. Het was voor hen ook een proefballonnetje. Dat was niet goed voor mijn enthousiasme. Ze konden wel zeggen dat het proefballonnetje in driehonderd mailboxen zou worden opgelaten. O, ja en het was voor mensen die speciale zorg nodig hadden. Dat viel wel weer mee.
Zenuwachtig repeteerde ik dagenlang mijn met zorg uitgezochte teksten. Ruim op tijd was ik op de afgesproken tijd en plaats, waar tot mijn schrik slechts een handjevol suffende mensen in rolstoelen rond een tafel hingen. De bewuste ruimte grensde aan een keuken waar een afwasmachine uitgebreid zijn best stond te doen. Er werd mij gevraagd met voorlezen te wachten tot meneer X. zijn middagdutje beëindigd had. Daar had ik geen moeite mee. Misschien was de afwasmachine dan ook klaar.
Terwijl we allemaal op meneer X wachtten, deed de organisator verwoede pogingen de ruimte gezellig te maken door een nephaardvuur op het televisiescherm te laten branden.
Na drieëntwintig minuten kwam meneer X geheel uitgeslapen opdagen. Hij installeerde zich op de verder lege, eerste rij. Ik kon beginnen. Gezien de omstandigheden, begon ik maar meteen met mijn allerbeste verhaal. Het voorlezen ging prima. In hoeverre mijn tekst bij het publiek overkwam, kon ik niet beoordelen. Er kwam weinig tot geen respons. Tegen het eind van mijn verhaal, was er nog een klein oponthoud. Mevrouw Y moest naar de wc, iets dat voor haar blijkbaar een belangrijke gebeurtenis was want ze bracht het als het nieuws van de dag.
Ik besloot niet te wachten tot ze terug was en ging verder met mijn verhaal. Ze kwam terug precies op het moment waarop ik bij de clou van het verhaal was aangekomen.
‘Halleluja,’ riep ze, ‘Ik heb geplast!’
Er werd meteen geklapt.
Niet voor mij, maar voor de plas van mevrouw X.

Meryl Streep

‘Is dat Meryl Streep?’ siste ik. Met mijn hoofd wees ik naar het tafeltje dat een paar meter van ons vandaan stond.
Mijn vriendin, – Streep fan met stip – ging iets verzitten. ‘Ze lijkt er wel op,’ fluisterde ze blozend. Meteen daarna schudde ze haar hoofd. ‘Nee, dat kan niet. Wat moet die in ons dorp?’
‘Anoniem op vakantie?’ Onopvallend verschoof ik mijn stoel zodat ik beter kon kijken. Was de blonde vrouw die daar zo gewoon met een wit biertje zat, werkelijk de beroemde filmster? Ze had blond haar, net als Meryl en ze lachte net zo mooi. Ik deed alsof ik iets in mijn tas zocht en gluurde verder. Naast haar zat een man van dertien in een dozijn, een huis-tuin-en-keukenman eerste klas. Hij kwam me bekend voor, maar ik kon niet bedenken waarvan.
Mijn vriendin richtte ook haar blikken op het tweetal naast ons. Vervolgens boog ze zich naar me toe. ‘Die man die bij haar is, wie zou dat zijn?’
Ik haalde mijn schouders op. ‘Misschien een nieuwe vriend?’
‘Ze kan het best zijn,‘ zei mijn vriendin. Ik hoorde de opwinding in haar stem. ‘Kijk die spitse neus eens, als dat Meryl Streep niet is, dan weet ik het niet.’
Tevreden leunde ik achterover, maar schoot snel weer rechtop. ‘Zullen we vragen of we met haar op de foto mogen?’
‘Als ze het echt is, dan ze zoekt de anonimiteit.’ Mijn vriendin schudde haar hoofd. ‘Nee, dat mogen we haar niet aandoen.’
Terwijl ik daarover nadacht, keek ik het terras rond. Waren wij werkelijk de enigen die deze wereldberoemde filmster herkenden? Het leek er wel op. Ik wenkte de ober en bestelde een tweede rondje koffie.
De man die naast Streep zat, wenkte ook. Ik zat op het puntje van mijn stoel toen ik de ober yes please hoorde zeggen. Zie je wel, ze wás het! De ober sprak niet voor niets Engels. En kijk hem eens buigen en lachen.
Streeps begeleider wees naar de lege bierglazen. ‘Doontj ós nag ‘ns ei beer, estebleef.’
Dat was onvervalst Limburgs!
Toen pas schoot me te binnen dat de man op onze nieuwe bakker leek.
Zijn vrouw kende ik nog niet.

gedichtenroute

 

 

 

 

De gedichten van de gedichtenroutes van onze gemeente worden vernieuwd. Het initiatief is afkomstig van www.gastvrijbokkenrijdersland). Er zal een keuze gemaakt uit de 60 ingezonden gedichten, reeds te lezen op bovengenoemde website.

Ik ben benieuwd of een gedicht van mij de eindstreep haalt. Het zou een hele eer zijn.
Bij de eerste versie van de gedichtenroutes kregen drie van mijn gedichten een ereplaatsje ergens langs de wandelwegen van de gemeente Schinnen. Twee gedichten heb ik kunnen traceren. (zie foto’s). Het derde was weg: daar was alleen nog maar het paaltje van over.
Wie, wat, hoe en waarom?

Ik verzon twee mogelijke scenario’s.
1. ‘Was da? Een versje? Rijmt niet. Snap d’r ook de ballen niet van. Wat een klerezooi. Weg ermee.’ (Stroopt mouwen op en pats, boem… krak!)
2. ‘Hee, daar staat een gedicht. Oh, wat mooi!’(Kijkt om zich heen, haalt schroevendraaier/zakmes tevoorschijn en schroeft voorzichtig los.)

n.b. nadere informatie is nog steeds welkom

 

 

boekenmarkt

Wat is er mooier voor een boekenliefhebber dan een goede boekenmarkt?
Niets toch? Een boekenmarkt is een eldorado voor boekenliefhebbers.
De bekendste is de boekenmarkt van Deventer. Daar heb je op een zondag in augustus zes kilometer zwart-op-witte zaligheid binnen handbereik. Langs de IJssel en in het centrum staan honderden boekenkraampjes vol kratten, dozen en bakken met daarin ontelbare boeken wachtend op een nieuwe eigenaar.
Jammer genoeg zit er sinds vorig jaar voor mij ook een schaduwkant aan boekenmarkten. (Nee, het was niet het moment waarop ik mijn eigen boeken aangeprezen kreeg, al was dat wel een rare gewaarwording.)
Ik liep te genieten van de enorme hoeveelheid lectuur om me heen. Ik kocht zoveel boeken dat mijn armen pijn deden van het gewicht en dat mijn tas kapot ging, maar dat was niet het ergste.
Het ging pas fout toen ik me afvroeg of ik – als schrijver – nog iets aan deze gigantische berg woorden dacht te kunnen toevoegen. Want wie was ik nou helemaal? Waarom zat ik eigenlijk uur na uur op mijn manuscripten te zwoegen? Zou ik me niet beter appeltaarten kunnen bakken? Voorleesmoeder worden? Fietsbanden plakken? Kranten bezorgen? Groenten kweken?
In elk geval sla ik dit jaar de boekenmarkt over.
Om te kijken hoe het gras groeit… en zo.

Bon Camino / goje óngerwaeges

’t Woor ós good aan te zeen det v’r ’t neet gewindj wore óm mit ’n zwaore rökzak berg op en berg aaf te loupe. Nae, v’r wore nag lang gein echte Santiago-pelgrims. Gaondjewaegs de morge veel oos gruupke oetein in drie pluuskes op ’n loeadgrieze berg. Bé leep veurop. Ták ták ták… nietjs tikdje zien stekker oppe stein.
Achter mich leep Em. Det waas poem en haw las vanne maag. Ich bleef staon óm op Em te wachte. Taege de zón in zoog ich ’m lansaam groter waere. Zien haorspange sjitterdje inne zón.
‘Wie wied is ’t nag?’
‘V’r kómme drek in e klei dörpke,’ zag ich. ‘Dao aete v’r ós ’n tas soep.’
Det klein dörpkes soms te klein wore veur soep, wiste v’r allebei. En det de herberg wo v’r haer ginge, nag minstens vief oer loupe woor, wiste v’r ouch.
Em knikdje. ‘Prima. Dan mer de ouge rech veuroet en ’t verstandj op nul.’
Wied veuroet zoge v’r Bé ziene rökzak aafdoon en op ós wachte. Onger ‘ne boum rösdje v’r oet en raapdje ós nao ’n half oer mer weer bei-ein. De route leep langs ’n smaal baek toet in e laevesmeug dörpke. Dao woor gein kip, gein soep en gei water.
Weer wiejer. V’r zónge leedjes en vertèldje oos aafgezaegde verhaole. Wie die op wore, zwege v’r weer.
Inèns stóng dao e bördje: cafe/bar 750 m
Wie berggeite vlóge v’r omhoeag.
In ’ne bóngerd loog ’n boerderie wo ze aete en drinke verkochte…
En wie v’r de boek vol hawwe en huuerdje det se dao ouch kamers verhuurdje, twiefeldje nemes: oetröste, zökke wasse en…ónger ’ne boum ligke.
‘t Woor nag leech wie ich van klokgeloej oet miene late unjer wakker waerdje.’t Geluid koom van hoger oppe berg. ‘Dao ligk e groeat kloeaster,’ wis Bé. ‘Dao bön ich net gewaes kieke. Prachtig geboew.’
‘’t Is bienao zeve oer,’ zag Em. ‘Mesjiens loedje ’t urges veur.’
Bé sjödde van nae. ‘Dao woor nieks loos. Eine man mit ’n sjöp en ’n sjoefel, wiejer höb ich dao nemes gezeen.’
‘V’r gaon toch mer kieke,’ zag ich. ‘Waem witj.’
Aan eine kantj van de binneplaats loog ’n kloeaster, aan de angere kantj ’n kirk. Allebei enorm groeat en good óngerhaje. Mer gei laevendj waeze te zeen.
‘Kiek, ze höbbe hiej ouch ’ne refugio!’ zag Bé.
Oei, ’ne refugio, ’ne pelgrimsherberg! Det goof mich e ongemekkelik geveul. Es pelgrim mósse biej de paters slaope en neet in e luuks pension.
De kirkdeure stónge aope. Mit ós drieje krope v’r in de lèste bank. Veuraan zoot ei koppel aaj vruikes en eine verdwaaldje einzelgänger.
Wie ’t zeven oer sloog, kome zes monnike lansaam de kirk in. Vief van taege de tachtig en eine jóngere. Dae zoog d’r sterk en gezóndj oet. E broen gezich en korte gries haor. Hae zat zich achter ’t harmonium en begós te spele.
‘Det is dae man dae ich gezeen hob, dae mit die sjöp en die sjoefel,’ fluusterde Bé naeve mich.
De tuinman zóng veur. Traog zungeldje zien aaj medebroeders truuk.
Ich kreeg ’t te doon mit dae man. Gans allein mós hae det ganse zaakje aan de gang haje.
En veer slepe luuks. Biej de concurrent.
De gedachte aan waat dae man allemaol oppe nak haw, heel mich de ganse nach oet de slaop. Ich sjaamde mich. Waat waas ich toch veur ’ne pelgrim, de gemekkelike waeg gekaoze, neet èns ’n kaes aangestaoke…
’s Angerendaags, kóme v’r ’m taege, d’n orgelspeler, d’n tuinman en weit ich waat d’r allemaol nag mieer woor. Op ’ne mountainbike koom d’r de berg aaf. Verslete spijkerbóks, ei vaal T-shirt en ’n sjöp oppe rök. Hae stopdje bie ós, zaegendje ós en wunsdje ós bon camino. De goje waeg vinje waas gein probleem, zag ‘r, hae haw ’t paad wiejerdoor alweer in orde gemaak.
Mich vloog ’t blood nao de wange: dae man waas ’n halve heilige en ich…, ich waas nag neet èns ’ne halve pelgrim… mer gelökkig kreeg ich hie net op tied de goje waeg geweze.

Titel

Ik stond onder de douche en ineens had ik hem: de perfecte titel voor mijn nieuwe roman. ‘Geweldig! Kan niet beter!’ riep ik tegen de kraan. Ik haastte me de douche uit, en terwijl de shampoo uit mijn haren drupte, schreef ik snel de titel met een lippenstiftje op de spiegel. Stel je voor dat ik hem vergat. Nagenietend van mijn goede inval las ik hem over. Ja, hij was echt goed.

Het vinden van een goede boektitel is heus niet zo gemakkelijk. De vlag moet de lading dekken, de titel moet, zoals ze dat zeggen, lekker bekken. Hij moet in het geheugen blijven hangen en liefst ook nog origineel zijn. Al achttien maanden tobde ik over de titel. Ik had mijn manuscript al drie keer herdoopt. Schamele verzinsels. Maar deze keer was het raak. Deze titel was volmaakt. Zingend stapte ik weer onder de douche, waste verstrooid mijn haar nog drie keer.
Nog steeds in jubelstemming checkte ik een kwartiertje later op google of er heel misschien toevallig een ander boek diezelfde titel had. Mijn stemming zakte meteen tot ver beneden nul. Vier hits! Vier boeken met dezelfde titel.
Soms  zijn dingen dus echt te mooi om waar te zijn.
Wat te doen? Doorgaan met piekeren?
Goede raad is duur.
Na regen komt zonneschijn.
Geen rozen zonder doornen.
Waar een wil is, is een weg.
Enzovoort…

Zeldzaam vliegend hert

Vliegend hert… een meer tot de verbeelding sprekende naam kan ik niet bedenken.
Ik weet dat het een reuzenkever is uit de scarabee-familie, maar bij het horen van de naam flitst er toch een groot, gestroomlijnd damhert over mijn netvlies.
Het vliegend hert is een beschermde insectensoort. Ze komen maar op een paar plaatsen in Nederland voor en ik mag me gelukkig prijzen dat de omgeving waar ik woon daar een van is. Hier kun je ze zomaar in hun natuurlijke habitat tegen komen.

Natuurlijk weten wij hoe zeldzaam ze zijn. Daarom leggen we onze vliegende herten in de watten, we koesteren ze, leggen broedstoven voor ze aan en plaatsen waarschuwings- en informatieborden. Ja, wij doen er echt alles aan om het de kever naar zijn zin te maken.
Is een tegenprestatie dan teveel gevraagd? Mag ik op mijn beurt dan niet aan de vliegende herten in mijn directe omgeving vragen zich aan de vastgestelde leefregels en gebiedsafbakeningen te houden? ‘Alsjeblieft, lieve kevers, blijf zitten waar je zit. Maak mij niet meer aan het schrikken. Verstop je niet meer in mijn wasgoed als ik dat buiten te drogen hang.’
(Voor de natuurliefhebbers onder ons, het was een mannetje, bijna 10 cm zonder scharen gemeten en ik heb hem weer veilig in de natuur teruggeplaatst)

Zelfvertrouwen

Gisteren werd ik aan iemand voorgesteld die een boek wilde schrijven. Ze was net achttien en het plezier straalde van haar af, als een zon in een kindertekening.
‘Voordat ik eenentwintig ben, heb ik een boek uitgebracht’, verkondigde ze stellig.
‘O. Leuk. Goed plan.’ Iets originelers kon ik niet verzinnen.
‘Ja! Ik wil het al vanaf mijn tiende.’
Ik zag haar voor me, schriftje, pennetje, puntje van haar tong uit de mond en schrijven maar.
‘Waar gaat het boek over?’
‘Weet ik niet.’
‘O. Hoe ver ben je?’
‘Nog niet begonnen.’ Ze lachte. Om jaloers op te worden.
‘O.’
‘Ik heb nog tijd genoeg.’
Weer die stralende zelfverzekerde lach.
En omdat ik er zeker van was dat ze met die lach en dat zelfvertrouwen alles zou bereiken wat ze wilde en heb ik alvast een exemplaar gereserveerd.

Eredivisie

Mijn leesclub gaat mijn boek bespreken. Het zijn stuk voor stuk ervaren lezers en de leiding is in handen van een neerlandicus.
Met klamme handjes ga ik naar binnen, haal diep adem en pep me op met de positieve reacties die ik eerder al kreeg. Tegelijkertijd vraag ik me af waarom ik het zo belangrijk vind dat het boek in de smaak valt. Omdat ik er heel hard aan gewerkt heb. Ja, dat zeker. Maar vooral omdat dit verhaal me bijzonder aan het hart gaat. Het speelt in de omgeving waar ik woon; een omgeving die nog steeds verweven is met de mijnindustrie. Je ziet het aan het landschap en de gebouwen en je hoort het terug in de verhalen van de mensen.
We beginnen. Zij praten. Ik luister.
Herhaaldelijk valt het woord herkenbaar en wanneer er vervolgens nog thema’s, motiefjes en karaktertrekken worden uitgelicht die ik met zorg in het verhaal heb verwerkt adem ik opgelucht uit.
Er wordt gepraat over de werving van de buitenlandse arbeiders, de mijnramp op de Hendrik, de industrialisering, kostgangers, rammelende kolenwagens, het penningenbord, maar ook over standsverschillen en de rol van de vrouw.
Natuurlijk zijn er ook opmerkingen over nevenpersonages die niet optimaal uit de verf komen, maar de weegschaal slaat echt wel door naar de positieve kant.
Ik ga blozen als de begeleider zegt dat dit een mooi verhaal is om te verfilmen. Wat een compliment! Daarna legt hij mijn boek bij Stad onder de grond, van Wiel Custers en Het geluk van Limburg, van Marcia Luyten en vraagt aan de groep of dat de juiste plek voor dat boek is.
Het maakt me niet meer uit wat ze daarvan zeggen. Ik lig met mijn boek in de Eredivisie… al is het maar even.