BLOGJES

Billen

Met mijn kleindochter van bijna drie deed ik een boodschap, zij met haar poppenwagen en ik met haar zusje in de wandelwagen. Bij elke boom, steen en grasspriet bleef ze staan. Elke eend en elke gans werd bewonderd en bij elke hond-in-aantocht werd een omweg gemaakt. Het was heel gezellig.
Maar het schoot dus voor geen meter op en na een uur treuzelen raakte mijn geduld een beetje op. Om haar in een hogere versnelling te krijgen, liep ik een eindje voor haar uit.
‘Oma?’ hoorde ik achter me en de poppenwagen piepte iets sneller.
Mooi. De truc werkte blijkbaar. ‘Ja?’
‘Ik heb mooie billen.’
Verbaasd bleef ik staan en keek haar aan.
Ze knikte serieus naar me. ‘Jij hebt ook mooie billen. Laat ’ns zien?’
Lachend tilde ik mijn jas een beetje op. Daar was ze gelukkig tevreden mee.

 

Thuis vertelde ik het voorval aan mijn schoonzoon.
‘Ja,’ zei hij, ‘ze zei van mij ook dat ik een mooie buik had.’

Toen ik naar zijn buik keek, wist ik dat zij met ‘mooi’ iets anders bedoelde dan ik.

Etiket

Etiket

Ik viel voor een lichtblauw bloesje. Niet dat ik het echt nodig had, het was gewoon te leuk om te laten hangen. Het bedekte wat bedekt moest blijven, was strijkvrij, betaalbaar en perfect voor het feestje van volgende week.
Maar er was ook een nadeel: een langs vier zijden stevig vastgenaaid merketiket. Plus een maatetiket. Terwijl ik het bloesje binnenste buiten keerde, telde ik in de zijnaad nóg drie etiketten. Een lang wit geval wapperde me zijn wasadvies toe, een middellang etiket vertelde mij trots hoe modern het weefsel was en het korte etiketje deed me een reserveknoopje cadeau.
Het etiket op het borstzakje mocht blijven zitten, maar thuis, aan de keukentafel knipte ik het maatetiket er als eerste uit. Bij het merkje moest het tornmesje eraan te pas komen. Dat was bittere noodzaak vanwege een irritante haast onzichtbare plastic jeukdraad. Het kostte me tien minuten. Daarna was de zijnaad aan de beurt. Het uit de kluiten gewassen etiket was minstens tien centimeter lang, gemaakt van een vervelend plastic materiaal. Het zou me dag in dag uit in mijn zij blijven prikken. Zonder pardon ging de schaar erin.
Secuur knipte ik langs randen, naden en zomen, prutste aan achtergebleven restjes, verwijderde losse draadjes, repareerde een miniem schaarslippertje en eindelijk was mijn bloesje draagbaar.
Toch had ik tijdens het feestje last van prikkende jeuk in mijn linkerzij. Op het toilet controleerde ik mijn bloesje aan de binnenkant op etiketrestanten. Alles was netjes verwijderd.
Maar al die rode vlekken in mijn zij?
Toch maar een bezoekje aan de huisarts.
Het waren het niet de etiketten. Ten onrechte heb ik ze verdacht van jeukmakerij.
De diagnose was gordelroos, de volwassen versie van waterpokken.
Tja, dat jeukt natuurlijk óók.

Worry Geber

Worry Geber (in ’t Limburgs geschreven)

‘t Doerdje effe veurdet mien buurvrouw häöre nuje jas haw toegerits. Daodoor ging bie mich e lempke aan. ‘ ’Ne jas van Worry Geber?’ Det ze geine angere kós höbbe, wis ich beinao zeker, want ich waas vurge maondj ouch veur ’ne jas oet gewaes. En doe haw ich in ’n klasse-entoeraasj Worry Geber van kortbie mitgemaak.

De vloerbedaekking van de jassewinkel waas zach en tösse de rekke door golfdje aangepasdje meziek. Ein verkuipster mit greungevefdje naegel leet mich ’ne blawwe jas zeen. ‘Deze is noe veur de haelf. Worry Geber! Pas ’m mer ’ns aan. Det is ech e sjnepke.’
Worry Geber… dao wis ich allein mer van det ’t e duur kleijermerk woor.
De blawwe jas waas ’ne nette jas dus ich deej ’m aan.
De verkuipster lag mich de kraag plat en ouch al rook de ganse winkel väöls te väöl nao naomaakblome, de jas waas prima. Allein haw ich get meujte mit de rits.
‘Kom mer, dan help ich uch efkes.’
‘Laot mer, ich pak waal ’ne angere jas.’
Van de volgendje jas ging de rits onneet good toe.
‘Deep doorduje! Kiek, zoea.’ De verkuipster bukdje zich om ’t mich veur te doon. ’t Ergerdje mich det ze deej of ich oppe kleutersjoeal zoot. Ich weit bès waal wie ’n rits toe mót.
‘Ich weit neet of ich waal…’
‘Pas deze ’ns. Dit is ouch ’ne fijne jas.’
Wie mieër det zie vol heel, wie mieër det ich twiefeldje.
Naeve mich stóng ’n anger vrouw ’ne jas te passe wo de rits onneet good van toe ging. Ich loerde nao ’t etiket. Worry Geber! Zuusse waal!
Doe wis ich ’t zeker: Worry Geber zeen sjoean jes, mer dao zitte verdomp lestige ritse in.
Zónger jas ging ich de winkel oet.
Ich hoof geine Worry Geber …
… of ’t mót ’ne zeen mit knuip.

Foutje

Foutje

 

 

 

 

 

Vorige week verloor mijn oude MP3 speler (museumitem, ja) een klein grijs afdekknopje waardoor de data-in-en uitgang open kwam te liggen. Omdat ik ook het batterijcompartiment al sinds jaar en dag met plakband moet dichtplakken, vond ik het hoog tijd voor een nieuw apparaatje.
Misschien denk je, MP3 spelers zijn uit de mode, maar in de mijne zit een Belgische juffrouw die me na een griepje of een blessure weer helpt vijf kilometer aan een stuk te rennen. Voor mij onmisbaar dus.

Na een half uur zoeken in een grote elektronica- en witgoed winkel had ik een nieuwe gevonden. Meteen de volgende dag mijn renschoenen aan, oortjes in, spelertje aangezet en hopla de deur uit. Nee dus, de toetsjes werkten niet naar behoren. Terug naar de winkel en – omdat ik aan plakband geen gebrek heb – het apparaatje maar weer ingeleverd. Onderweg naar de kassa om het geld terug te krijgen zag ik een bak met goedkope toetsenborden. Op de doos stond everest, arabic en qwerty, op de bak stond 7 euro, maar 7 euro! Van mijn toetsenbord zijn de n en de e al tijden verdwenen, dus meteen meegenomen.

Ook moest ik nog even in de boekwinkel zijn. Daar kreeg ik een enorme schok, kick beter gezegd. Mijn boek, Tussen twee grenzen, lag op plek 1 van de top tien boeken. Foutje van het winkelpersoneel natuurlijk. Maar toch… ik had heel even het gevoel hoe het zou zijn als…
Thuis verwisselde ik meteen de toetsenborden, maar, haastige spoed is dus echt nooit goed, en arabic is inderdaad Arabisch. Morgen dus weer terug naar de elektronicawinkel.

Maar de boekwinkel sla ik over, want mijn boek lag daar zo mooi …

 

Nanowrimo

 

Nanowrimo

In de maand november doe ik weer mee aan de Nanowrimo.
Wat is dat, Nanowrimo?
Het staat voor National Novel Writing Month, een schrijfuitdaging die in Amerika in 1999 is begonnen. Het is de bedoeling in de loop van de maand november de complete eerste versie van een roman te schrijven. Je schrijft elke dag 1666 woorden en dan heb je op 30 november 50.000 woorden. Dat is de omvang van een (dunne) roman.Elke dag zoveel woorden schrijven is best pittig. Vooral als je op dag 1 nog geen flauw idee hebt, waar je verhaal over gaat. Maar dat is ook het leuke eraan; de uitdaging met niets te beginnen. Je schrijft in hoog tempo van het ene idee naar het andere. Omdat je zoveel woorden ‘moet’ schrijven is je fantasie extra hard aan het werk en negeer je dat ingebouwde kritische stemmetje dat zegt dat je bagger aan het schrijven bent. Soms is het inderdaad bagger, maar soms zijn het ook pareltjes die je anders niet gevonden zou hebben.
Voor mij is dit de vijfde keer dat ik meedoe. Drie keer heb ik de eindstreep gehaald en van die drie hebben twee romans de uitgever gehaald. Weliswaar na de nodige herschrijfsessies, maar toch een mooi resultaat.
Nog wat meer cijfers. Tot nu toe heb ik op die manier meer dan 200.000 woorden geschreven, waarvan nog minder dan de helft in de tweede versie overeind blijft. Maar dat is niet erg. Zo ontwikkel ik ideeën, verzin verhaallijnen en bouw leesbare zinnen. Die hopelijk zullen leiden tot een nieuwe roman.

Woorden in de wind

Woorden in de wind

Vanmorgen heb ik een ballon met een brief opgelaten. Vroeger deden we dat onder toeziend oog van de zuster van de zesde klas, nu was ik in gezelschap van de mensen die mee hadden geschreven aan de nieuwe Gedichtenroute van de gemeente Schinnen.

Na enkele toespraakjes in Gasterie de Bokkereyer kregen we een ballon met een brief aan een touwtje. De brief was van de gemeente Schinnen en daarin werd de vinder uitgenodigd om onze mooie gemeente te bezoeken.

Ik liep naar buiten. Mijn ballon wilde meteen omhoog. Hij trok het touwtje strak. Maar we moesten nog even wachten op de fotograaf en intussen dacht ik aan hoe eervol het was dat mijn gedicht in de brief van de gemeente was opgenomen. Ik dacht ook aan de woorden van Tibetaanse gebedsvlaggetjes die met de wind over de wereld reizen.
Toen de foto’s klaar waren, telde de wethouder af en lieten we allemaal tegelijk de touwtjes los. Het was mooi om te zien hoe de ballonnen in de blauwe lucht verdwenen.

Plotseling kwam bij mij het gevoel dat ik als kind kreeg, weer naar boven. Hoe vurig ik toen hoopte dat mijn ballon gevonden zou worden; hoe benieuwd ik was naar die onbekende vinder en naar die onbekende plek… en hoe blij ik zou zijn met een antwoord.
Nog nooit heb ik een antwoord ontvangen.

Dus lieve mensen, zie je een ballon in het veld liggen, in een boom hangen of in het water drijven, kijk dan of het mijn woorden zijn die de wind daar neer heeft gelegd.
Want ik blijf hopen op antwoord.

Test

Op aanraden van iemand die er veel verstand van heeft, ben ik aan de slag gegaan met mijn website.

Het is de bedoeling de kapstok waaraan mijn boeken, gedichten, verhalen, blogjes, nieuwtjes, foto’s en recensies hangen netjes te maken zodat alles soort bij soort komt te hangen.

Maar ik moet eerlijk bekennen dat ik niet altijd het verschil zie tussen de jassen en vesten en truien van WordPress. Dat gaat nog wel even duren.

bouwput

Bouwput

Onze hotelkamer kijkt uit op een bouwput. Vanaf een groot bord deelt een geelgehelmde bouwvakker mee dat de stad binnenkort een ultramoderne ondergrondse parkeergarage rijker zal zijn. Simpel is het niet, zo’n parkeergarage bouwen. Een elf-verdiepingen flatgebouw moest worden neergehaald en in vrachtwagenporties afgevoerd. Een langdurige project als dit kan vaak rekenen op een vaste groep belangstellenden. Hier bestaat dit publiek uit een clubje oudere mannen dat van de zijlijn de voortgang onder de loep neemt. Bij het bespreken zijn brede armzwaaien, twijfelend hoofdschudden en zelfgedraaide sigaretten nodig.
Er is van alles te zien. De omheining, de directiekeet, bulldozers, bouwkranen, vrachtwagens en natuurlijk de mannen die het werk uitvoeren zoals zij het vroeger nooit gedaan zouden hebben.
Ik kijk met plezier naar wat zich allemaal rond de bouwput afspeelt.
Mijn lievelingsbouwputman is van het kwieke pezige soort en hij beweegt rap als een eekhoorn. Was hij veertig jaar jonger, dan droeg hij vast gympen en een stoere bandana. Nu draagt hij een fleecevest en een afgedragen spijkerbroek. Meestal staat hij aan de rand van het groepje en wacht tot hij erbij wordt gehaald voor zijn deskundig commentaar. Ik zie dan hoe hij met een grote veegbeweging van zijn arm alle stellingen verwerpt en iets geheel eigens te berde brengt. In een kringetje staan ze dan om hem heen en knikken bevestigend. Even later kan de Eekhoorn met opgeheven hoofd het strijdtoneel verlaten. Op naar moeder de vrouw die wacht met het eten.
Vandaag is het zaterdag. Er wordt vandaag niet gewerkt. Huisvrouwen sjouwen hun weekendboodschappen huiswaarts. Honden worden uitgelaten en duiven koeren in de armetierige boom waaronder de bouwputmannen hebben zich hebben verzameld. De Eekhoorn is present en middenin zijn show van vandaag gebeurt het: terwijl hij met een zwierig gebaar zijn rechterhand uit zijn broekzak opdiept en naar een opgemetseld muurtje wijst, vliegt er een duif uit de boom op en laat zijn witte schijtsliert precies op het hoofd van de Eekhoorn vallen. De mannen bulderen het uit terwijl de stinkende massa langzaam naar beneden druipt.
Ik zie aan de vinnige pas waarmee de Eekhoorn afdruipt dat hij geen vogelliefhebber is.

Murphy

Murphy
de wet van Murphy

Ik had het niet moeten doen, die doek met de wet van Murphy erop, meebrengen uit Ierland. Ik wist toch hoe het werkte? Ik had toch al vaker meegemaakt dat als er iets fout kan gaan, dat dan inderdaad ook fout gaat.’
Bijvoorbeeld, de picknickplek. Je bent aan het wandelen of aan het fietsen en zoekt een leuk plekje om je boterhammen op te eten. Niet te vinden. Je strijkt tenslotte ergens in de berm neer. Blijkt vijfhonderd meter verder een ideale bank gestaan te hebben.
De griepprik. Ik kreeg er een uitnodiging voor van de huisarts. De dag nadat ik afbelde -omdat ik me nog jong en gezond voel – begon ik te niezen, kreeg koorts en werd snipverkouden. Drie weken lang kon ik de deur niet uit zonder zakdoeken en hoestbonbons.
De bril. De kaart van de opticien voor controle van ogen en leesbril was geformuleerd in de trant van ‘Want het zijn toch je ogen, nietwaar?’ Ja, en een nieuwe bril is goed voor jouw kassa, dacht ik en scheurde resoluut de kaart doormidden. ’s Avonds, – ik lees altijd in bed- liet het rechterpootje van mijn bril los en het minuscule schroefje verdween onder het bed. Spoorloos en zonder bril dus onvindbaar.
Oké, dat soort dingen gebeurt, dat hoeft niets per se iets te maken te hebben met Murphy.
Maar wat te denken van gisteren?
Ons vliegtuig uit Ierland kwam te laat aan op Schiphol. Trein weg. Laatste bus naar huis weg en we strandden in Sittard. Op zondagavond. Om 23.48 uur. (Ja dat klopt.)
Geen taxi te bekennen. (Ja dat klopt ook, het is Sittard hè, niet Utrecht of Amsterdam) Rechtsomkeer gemaakt en net nog hijgend de stoptrein naar Schinnen gehaald. Vervolgens met een ratelend koffertje te voet op weg van het ene slapende dorp naar het andere. Toen wist ik het zeker: de wet van Murphy bestaat: ik had die doek niet moeten kopen.

Boekenmarkt

Boekenmarkt

Wat is er mooier voor een boekenliefhebber dan een goede boekenmarkt?
Niets toch? Een boekenmarkt is een eldorado voor boekenliefhebbers.
De bekendste is de boekenmarkt van Deventer. Daar heb je op een zondag in augustus zes kilometer zwart-op-witte zaligheid binnen handbereik. Langs de IJssel en in het centrum staan honderden boekenkraampjes vol kratten, dozen en bakken met daarin ontelbare boeken wachtend op een nieuwe eigenaar. Ook de boekenmarkt van Kelpen begin oktober is de moeite waard.
Jammer genoeg zit er sinds vorig jaar voor mij ook een schaduwkant aan boekenmarkten. (Nee, het was niet het moment waarop ik mijn eigen boeken aangeprezen kreeg, al was dat wel een rare gewaarwording.)
Ik liep te genieten van de enorme hoeveelheid lectuur om me heen. Ik kocht zoveel boeken dat mijn armen pijn deden van het gewicht en dat mijn tas kapot ging, maar dat was niet het ergste.
Het ging pas fout toen ik me afvroeg of ik – als schrijver – nog iets aan deze gigantische berg woorden dacht te kunnen toevoegen. Want wie was ik nou helemaal? Waarom zat ik eigenlijk uur na uur op mijn manuscripten te zwoegen? Zou ik me niet beter appeltaarten kunnen bakken? Voorleesmoeder worden? Fietsbanden plakken? Kranten bezorgen? Groenten kweken?
In elk geval sla ik dit jaar de Deventer boekenmarkt over.
Om te kijken hoe het gras groeit… en zo.