BLOGJES

‘Koffie’-bonen in de moestuin

Moestuinen zijn in. De supermarkt deelt kruidenpotjes uit en op internet vind je allerlei informatie over het (biologisch) kweken van groenten en fruit. En ook ik begon een aantal jaren geleden met het planten van een paar tomatenplanten in de border. Dat die tomaten een vlinderstruik en een forsythia als buren hadden, leek ze niet te deren; ze groeiden voorspoedig en gaven rijkelijk vruchten. Die oogst aan smakelijke rijpe tomaten stimuleerde mij enorm en het jaar daarop breidde ik mijn moestuintje uit.  Courgettes, aardbeien, en prei wonnen het van de vlinderstruik. Op de plaats van de schoenlappersplanten kwamen worteltje en sla en in plaats van twee tomatenplanten namen er we tien.
Er was een jaar waarin alle aardbeien voor de vogels waren en ik tevergeefs probeerde erwten te kweken, in een ander jaar eiste de prei-mot de helft van mijn prei op.  (Om dit in een goed perspectief te plaatsen, het waren dertien planten; want zo groot is onze tuin nou ook weer niet.)
In een overmoedige bui plantte ik vorig jaar drie pompoenen. Daarmee was meteen de helft van de beschikbare grond ingenomen. Dit jaar dus geen pompoenen en het net ligt al over de aardbeien.
Nu, op de helft van mei, zie ik veelbelovende tomaatjes, aardbeien met blozende wangen, lente-uitjes, wortelen en prei. Helaas zijn de slakken er met bijna al mijn courgettes en mijn sla vandoor. Ik hoop dat ze vergeten zijn waar ze de boel gehaald hebben, zodat een nieuwe ronde zaai- en pootronde het wel haalt.

Vandaag heb ik op de plaats waar de narcissen stonden prinsessenboontjes gepoot. En omdat ik heb horen zeggen dat koffiedrab goed zou zijn, heb ik er telkens wat koffiedrab bij gedeponeerd.
Het is een risico, die ‘koffie’-bonen, ik weet het. Voor het hetzelfde geld eten we straks bruine bonen

Achterlicht

De avond begon te vallen toen we over A2 naar huis reden. Links van ons flitste de ene na de andere auto voorbij, maar wij hadden geen haast en de stroomsnelheid van de rechterbaan beviel ons prima. Zodoende zag ik achterlichten, heel veel verschillende achterlichten. Ik begon erop te letten.
Er waren lelijke achterlichten. En saaie achterlichten die uit fantasieloze rechthoekjes en ovaaltjes bestonden. Maar er waren ook prachtige lichten. Ik was weg van een strak belijnde op zijn kant liggende U. Daarna passeerde een gestileerde L. Het in eerste instantie saaie rondje was, bij nadere beschouwing, opgebouwd uit een aantal kleiner wordende cirkels. Ook leuk. Een grote (dure?) auto bezat twee mooie helderrode strepen. Ik zag een trapezium en iets wat op een accolade leek.
Bestonden er achterlichtontwerpers, vroeg ik me af? Vast wel.
Of zouden de ontwerpers van de auto’s de achterlichten meenemen in hun ontwerp? Kan ook.
Naarmate de rit vorderde, stelde ik vast: hoe duurder de auto, hoe mooier het achterlicht. Nee, geen verrassende conclusie. De tweede conclusie: hoe ouder de auto, hoe saaier het licht, was ook niet verrassend.
Thuis gekomen, rende ik natuurlijk meteen naar de achterkant van onze auto. Hele saaie lichten! Dat was geen verrassing, maar wel jammer.
Ik zou best achterlichten willen hebben in de vorm van een mooie letter M; mijn man zou misschien een W willen hebben… een omkeerbaar achterlicht, was dat wat?
Ondertussen reed mijn man onze auto de garage in. En deed de lichten uit.
Ach, dacht ik, onze lichten zijn prima. En overdag zie je ze toch niet.

Koepelroman Schaduwreis

Heb je bij de term ‘koepelroman’ je wenkbrauwen opgetrokken? Heb je je afgevraagd wat een koepelroman nou weer voor iets is?

Waarschijnlijk is Schaduwreis de allereerste Nederlandse koepelroman. (En ik ben er stiktrots op dat ik daaraan meegewerkt heb)
De koepelroman Schaduwreis is een boek met een bijzondere structuur. Er staan dertien verhalen in, met dertien verschillende hoofdpersonen, geschreven door dertien verschillende auteurs en toch is het een roman en geen verhalenbundel. Dat komt doordat er door alle verhalen heen een veertiende verhaal geweven is en het is die overkoepelende verhaallijn die van Schaduwreis iets bijzonders maakt.
Het verhaal gaat over Nadine die aan de hand van oude, aan haar gerichte ansichtkaarten een reis door Europa maakt. Dezelfde reis die haar vader ook ooit maakte…
Niet alleen de structuur van het boek is ongebruikelijk, ook de werkwijze want de schrijvers kennen/kenden elkaar eigenlijk alleen maar via sociale media. Er moest dus heel wat heen en weer gemaild worden voordat ideeën vaste vorm kregen en er werkelijk geschreven kon worden. Ook het ontwikkelen en stroomlijnen van de verhaallijn van Nadine maakte het schrijfproces ingewikkeld, maar interessant en we zijn met zijn allen supertrots op het resultaat dat op 21 april 2018 bij Uitgeverij Bagage is verschenen.

Bushaltegesprek

In de beschutting van de abri wachtte ik op de bus. Het regende alsof het nooit meer zou ophouden toen een welgedane heer over het zebrapad aan kwam. Op zijn hoofd droeg hij een koddig roestbruin hoedje en onder zijn openhangende regenjas werd ik een gezelligheidsbuik gewaar. Hij bekeek mij waarderend, ondanks mijn leeftijd. Was dit te danken aan de zorg waarmee ik mijn fleurige T-shirt had uitgezocht? Had mijn peperdure verjongende crème dan toch gedaan wat hij in de televisiereclame beloofde?

De heer zette een stap in mijn richting, kruiste zijn armen over zijn buik en stak van wal. ‘Wat een weer, hè?’
Niets onschuldiger dan op de bus wachten en een praatje maken over het weer. Dacht ik.
‘Ja,’ knikte ik en glimlachte.
Fout! Met een vonk in zijn ogen schoof hij iets dichter naar me toe.
Ik probeerde me onopgemerkt dieper in het bushokje terug te trekken. Ik zag de snor boven zijn mond bewegen op een ritme van lange zinnen. Door het langsrazende verkeer hoorde ik slechts losse vlagen: werk zoeken, solliciteren, outplacement, afspraken en kennismakingsgesprekken. Werkzoekenden verdienen zonder meer mijn sympathie, dus nam ik een beleefd luisterende houding aan.
Hij wipte omhoog op zijn Mephistos en boog zijn bovenlichaam naar voren in de richting vanwaar de bus moest komen. ‘De bus is laat,’ zei hij.
Ik humde.
Breed lachend en zonder consideratie stapte hij mijn persoonlijke cirkel binnen. Verdorie! Waar bleef de bus? Ik rook zijn koffieadem en deed een miniem pasje naar achteren. Nu stond ik echt met mijn rug tegen de wand.
‘Gezellig, zo samen babbelen,’ zei hij glunderend.
Ik ontweek benauwd de uitnodigende blik in zijn glimmende oogjes. Eindelijk! In de verte kwam de bus!
Hij liet me galant als eerste instappen. Ik voelde de haren in mijn nek bewegen toen hij vlak achter mij binnenstapte. Zo snel ik kon, nam ik de enige zitplaats voor één persoon in beslag.
Terwijl hij langsliep zag ik de teleurstelling in zijn ogen.

Duif

Ik was bij mijn vriendin Eline op de koffie. We zaten in hun grote achtertuin en keken toe hoe haar man Sjaak eerst de vissen in de vijver voerde en daarna zorgzaam noten voor de eekhoorns klaarlegde.
Eline houdt van bloemen, haar gezin en een schoon huis.
Sjaak houdt vooral van vogels, vissen, bergtochten, bos en hei. En natuurlijk ook van Eline en de kinderen.
Nadat Sjaak het vogelbadje had bijgevuld, keek hij zoekend om zich heen.
‘Sjaak mist Doortje,’ souffleerde Eline. ‘Niet over praten.’
Hoofdschuddend ging hij zitten.
‘Is er wat, Sjaak,’ vroeg ik. Ik kon het niet laten. Naast mij gromde Eline.
Hij ging rechtop zitten en begon enthousiast te vertellen.
‘Op een avond, ongeveer een maand geleden zat dáár onder de boom een duif. Het arme dier was totaal uitgeput. Het was een geringde postduif uit België. Ik heb haar Doortje genoemd, haar gevoerd en verzorgd en-’
‘En vanmorgen vloog ze weg,’ onderbrak Eline hem. ‘Sjaak, je hebt Doortje goed verzorgd, ze was weer fit en dus vloog ze naar huis. Zo gaat dat met dieren.’
‘Weet ik,’ antwoordde Sjaak, ‘maar-’
‘Ja, zeg je had toch geen afscheidskaartje verwacht?’
‘Nou, je gaat je toch aan zo’n beestje hechten.’ Hij klonk beteuterd.
Even later klonk er roekoe vanaf het garagedak. Doortje was teruggekeerd!
Verheugd sprong Sjaak op.
Ik mocht de glans van haar groenblauwe keel bewonderen en ik zei dat ze er inderdaad blakend uitzag.
Sjaak straalde en Eline rolde met haar ogen.
Vanmorgen belde Sjaak. Hij had Eline voor een stedentripje naar het vliegveld gebracht. Ja Eline had gebeld, ze was goed geland en ik moest de groeten hebben.
En ze hadden Doortje meegenomen in een doos met luchtgaten op de achterbank. Ja, Doortje was nu helemaal fit en zo’n dier moest toch de ruimte hebben, hè. Op een beboste heuvel, anderhalf uur rijden van huis, had hij haar de wijde wereld ingeworpen. Het moest, hè.
Nu was hij weer thuis, en eh…, Doortje was er ook. Ze was weer helemaal teruggevlogen. Knap, hè. Maar hij had nog wat. Het slaapkamerraam was open blijven staan. Doortje was erdoor naar binnen gevlogen… en ze had Elines dekbed vol gescheten… Kon hij dat laten liggen totdat Eline terug was?

de Sint-Joep mert,

 

Sittard St. Rosa kapel

e kort Limburgs verhaolke

Nico stoeatj Ans aan. ‘V’r mótte zoea droet. Maak dich vaerdig.’
Om de daag neet noe al te verknoeaje teltj Ans ieës toet vief veurdet ‘t zaet: ‘Nach drie haltes, ich weit ‘t, ich gaon al jaore mit de bös nao Zitterd.’
Naeve ein inne bös nao Zitterd, nao de Sintjoepmert…
Op zich is dao nieks mis mit. Nico wirk neet mieër en daoróm haet d’r noe tied veur zón saort dinger. ’t Kump allein neet altied aeve good oet.
Zoea wie gistermiddig. Ciska waas gekómme veur ’n tas koffie. Ans haw Nico al gezag det hae gerös weg kós gaon. Det hae aan dae vrouwluujkal toch nieks aan zoe vinje. Mer hae woor blieve zitte, haw kóffie mit gedrónke.
Gezellig toch?
Neet dan?
Wiej Ciska euver de SintJoepmert begös, koom droet det Nico gaer mit wól.
‘Nach ein halte!’
Ans kiek opzie. Nico drejt zich de sjaal ómme nak. ’n Goje man, mer soms zit d’r zoea versjrikkelik inne waeg.
Gistermiddig waas ech neet leuk…
’t Meiste haw ’t zich geërgerdj wie d’r zag det het zich ummer get leet aansmere. Ciska hawwe Ans ‘ns aangekeke en gezag det hae zelf mer aaf mós wachte toet d’r truuk woor van de mert. ‘Idderein lieët zich get aansmere. Det is gewuuen zoea. Det huuertj zich zoea. Det is de lol d’r van.’
Nico, d’n eigenwieze, ging dao weer hel taegenin. ‘Det zal mich neet gebeure!’
Ans bleus lansaam zien aom oet. Same nao de SintJoep … ’n half oer te laat. Ciska is al dao. Det haetj de ieëste lap stóf al binne.
Idder jaor gaon ze biej dezelfde man e puueske in ’ne berg lappe sjómmele. En dan gaeve ze zich ongerein raod. Dao kinne ze gerös óngerhalf oer blieve zeuke mer es ’t speel dan ’n enj haet, höbbe ze waal allebei e paar sjoean lappe. Daonao is ’t tied veur ‘n tas kóffie.
Wie zal det gaon went Nico d’r biej is?
Op waeg nao de kóffie kiek Ans gaer ‘ns biej de oere, de tesse en de zónnebrille. Dao spich ‘t zich op. Dök höbbe ze allebei al ’n nuuj tes of ’ne zónnebril veurdet ze ech aan de koffie zitte. Mesjiens duitj Nico zich content es d’r zichzelf ‘ne zónnebril oet kintj zeuke…
Nao de koffie is ‘t tied loestere nao de verkuipers. Waat die zich droetkraome. Dae kaerel mit zien spekke, dae Hollènjer mit zien metser en dae Belsj mit zien poetsdeukskes… Det is pas lache! Dan köp se get es e saort entreegeldj.
Es de bös stop zaet Nico: ‘Gezellig, hè vrouw! Wo beginne v’r?’
‘Effe wachte,’ zaet Ans, ‘Ich mót Ciska belle.’
‘Ciska kómme v’r waal urges taenge. Kóm, gaef mich ‘ne erm, det v’r gaon.’
Versjrik kiek Ans Nico aan en dink, dit weurtj gaaroet neet gezellig. Es v’r hie mit doorgaon, zeen v’r morge gesjeie. ‘Sjat,’ zaet ‘t, ‘ich krieg inèns zón koppien, volges mich weer migraine. Ich pak mich de bös heives.’
‘Och… doe erm prie. Zal ich mit gaon?’
‘Nae nae, doe bös noe hie, kiek op die gemaak róndj. Mich kins se toch neet helpe.’
Inne bös heives stuurtj Ans Ciska e berichske det ’t dit jaor de SintJoep euversleit om gein ruzie mit Nico te kriege.
‘Waat is det noe jaomer,’ sjrief Ciska truuk, ‘D’r Piet haetj zich veur vandaag vrie gepak. Dae steit hie mit Nico nao sjroeverdrejjers te kieke. Ze höbbe allebei al e tientje inne hènj.’

de nieuwe jas

Het is gelukt. Eindelijk geslaagd voor een nieuwe herenjas.
We vonden hem in een winkel waar ook dertigers en veertigers voor outfit naar toe gaan. De nieuwe jas was melkchocoladebruin, met een héél klein beetje oranje.
Hij hield de jas op een armlengte voor zich. ‘Kan dat wel, dat oranje?’ vroeg hij.
‘Het oranje zit aan de binnenkant, schat!’
‘Oké dan, als jij denkt dat het kán.’
Opgelucht kochten we de jas. Terwijl hij hem aan de kapstok hing, vroeg hij: ‘M’n groene hoeft toch nog niet weg, zeker?’
‘We laten de groene nog even hangen,’ beloofde ik. Achteraf nogal roekeloos.
Sinds vier dagen hangt de nieuwe bruine dus aan onze kapstok. Naast de overjarige donkergroene die zo lekker zit, die zoveel handige zakken heeft en die précies de goede lengte heeft voor in de auto.
Wat was er eigenlijk mis met groen? Niets toch? Behalve dan dat de groene jas voor mij al enige jaren ‘in de verlenging’ zit. Voor een vleugje jeugd en joligheid heb ik er twee jaar geleden een sjaal bijgekocht. Tevergeefs trouwens. Hij liet hem in de trein liggen.
Gisteren ging hij met vrienden wandelen. Met in elke hand een jas vroeg hij: ‘Trek ik mijn nieuwe jas aan? Of de oude groene?’ De groene had de voorkeur, dat hoorde ik duidelijk.
‘Doe die nieuwe maar aan. Je vrienden zijn ook altijd vlot gekleed,’ was mijn antwoord.
’s Avonds kwam hij terug.
Hij was uitgegleden in de modder.
Vlak naast een weiland.
Met prikkeldraad.
‘Had ik maar…’
‘Ja, had je maar…’
‘Goed dat ik die groene nog heb.’
Zucht. ‘Ja.’

kindermeisje

Je gelooft het of niet, maar vannacht ben ik verzeild geraakt in een roman met als hoofdingrediënten: een kindermeisje, een rijke familie en een knappe man.

Ja, dat vraagt natuurlijk om een toelichting.
Je weet dat ik voor mijn werk als onderzoeker drie maanden op de Antillen zit? We wonen hier met het onderzoeksteam in een groot huis, dicht bij de zee. De zon schijnt hier altijd en het is altijd warm. Altijd zomer. Om zes uur gaat de zon onder, dus lange lichte zomeravonden heb je hier niet, dat is wel jammer. Even terrasje pikken is niet zo als bij ons. Je kunt natuurlijk wel een glas wijn drinken, maar…
O, ik spring weer van de hak op de tak.
Ik was over het huis aan het vertellen. We hebben elk een eigen kamer, keuken en tuin zijn gezamenlijk. Naast ons woont een Antilliaanse familie met twee kinderen, die ik wel eens voorlees, of met wie ik een spelletje speel. Koren op mijn molen, natuurlijk. Zodoende zijn de kinderen nogal op mij gesteld geraakt.
Ja, ik weet dat je dat niet wilt weten. Je wilt meer weten van die miljonair hè?
Nou goed, we werden met het team uitgenodigd om kennis met hem te komen maken: de rijkste man op het eiland. Blijkt dat hij een zwak en ziek dochtertje heeft.
Je wilt nog meer details? Vooruit dan.
Zijn huis ligt, uiteraard, ook aan de rand van de zee. Het is een groot huis met veel glas, een zwembad en een tuin waarin het gras groen is. Dat is bijzonder hier, want de rest van het eiland is dor en droog. De tuin wordt dus regelmatig besproeid. Over contrasten gesproken. Al was het wel heerlijk om weer eens met mijn blote voeten door zacht en sappig gras te lopen.
In de salon waar we ontvangen werden, zat het kind – een meisje van toch al een jaar of zes – nog in een kinderstoel. De voertaal was Engels en maar tegen ons werd soms Nederlands gesproken. Het meisje sprak ook wat Nederlands. Had ze geleerd van de vorige nanny, een Nederlandse, die haar voorgelezen had uit Pluk van de Petteflet. Weer koren op mijn molen. Ik maakte er een opmerking over en twee seconden daarna sta ik boektitels op te schrijven van goede Nederlandse kinderboeken. Hij, de heer des huizes, behandelde me met meer egards dan ik verdien, het voelde alsof ik Maxima was. Zo raar.
Nou enfin, het kind wilde spelen, wilde kleuren, wilde voorgelezen worden en spande zich zo in dat ze rondgedragen moest worden. Door mij dus. Per se door mij. Ik zag aan de mensen die daar waren dat ik de nieuwe nanny zou worden.
Toen kwam de vrouw des huizes binnen.
Punt.
Ja punt.

In de meeste gevallen zijn de Knappe Mannen uit een verhaal niet getrouwd. Die van vannacht dus wel.
Weer helemaal wakker, zag ik een ander – niet onbelangrijk – verschil naast me liggen: ik was óók getrouwd.

’n stommiteit van 34 euro

Om te beginne mót ich uch oetligke det ich al e paar jaor ’n waterfilterkan gebroek.Det is ’n kan van doorzichtige plestiek wo e saort trechter in zitj wo dan weer ’n filterpetroean in mót. Es ’t water door de filter is gewaes, weurtj det nag sjoonder en nag lekkerder. Es se de filterpetroeane iddere maondj vernuuts drink se gezóndj en lekker water en dan höbs se geine kalkaanslaag in diene waterkaoker.
Toet zoeawied is alles good.
Mer vurge waek zoog ich tösse de plestiek van de kan en de trechter e gans fien greun rendje. Waat waas det? Ich pakdje mich de laesbril en ’t vergroeatglaas. Ich haw ’t good gezeen, dao zoot e greun rendje wo ich mich van sjödde. Alge? Bah, waat smerig. Die kan waas bedoeldj veur sjoean water, neet veur greun greujsels.
Heit water, aafwasgerei drin, sjöddele, roebele, rammele, kaad water, oetspeule.
Nag ummer greun. Opnuuj. … mer ’t aafwaswater kós ’t greun rendje neet bereike.
Nondepie. Waat noe?
Gein kan? Of ’n nuuj kan? In idder geval neet dees smerige kan!
’n Nuuj kan mit 3 filterpetroeane kósde 34 euro, mer veur det geldj kreeg ich ze dan waal heim gebrach.
Twieë daag later woor ze dao. Compleet mit e breefke wo op stóng wie se ze inein mós zitte, wie de petroean drin mót, wie de dèksel drop mot en wie de trechter drin mót…
Verrek! Es dae trechter drin mót, kin dae trechter dus ouch droet… oet die nuuj kan.
En ouch oet die aaj kan.
Heit water.
Aafwasgerei.
Wég greun rendje.

En ja, wég 34 euro.

Billen

Met mijn kleindochter van bijna drie deed ik een boodschap, zij met haar poppenwagen en ik met haar zusje in de wandelwagen. Bij elke boom, steen en grasspriet bleef ze staan. Elke eend en elke gans werd bewonderd en bij elke hond-in-aantocht werd een omweg gemaakt. Het was heel gezellig.
Maar het schoot dus voor geen meter op en na een uur treuzelen raakte mijn geduld een beetje op. Om haar in een hogere versnelling te krijgen, liep ik een eindje voor haar uit.
‘Oma?’ hoorde ik achter me en de poppenwagen piepte iets sneller.
Mooi. De truc werkte blijkbaar. ‘Ja?’
‘Ik heb mooie billen.’
Verbaasd bleef ik staan en keek haar aan.
Ze knikte serieus naar me. ‘Jij hebt ook mooie billen. Laat ’ns zien?’
Lachend tilde ik mijn jas een beetje op. Daar was ze gelukkig tevreden mee.
Thuis vertelde ik het voorval aan mijn schoonzoon.
‘Ja,’ zei hij, ‘ze zei van mij ook dat ik een mooie buik had.’
Toen ik naar zijn buik keek, wist ik dat zij met ‘mooi’ iets anders bedoelde dan ik.