Dat Boek

Over Dat Boek en het schrijven van Late lente

Bijna drie jaar lag Dat Boek op mijn nachtkastje voordat ik erin begon te lezen. Het verhaal boeide me al vanaf de eerste zin, maar ik had tegelijkertijd ook de neiging Dat Boek dicht te klappen.

De hoofdpersoon van het verhaal was een vrouw van middelbare leeftijd die plotseling alleen kwam te staan. Na twintig bladzijden wist ik dat haar zoon niet de weg ging kiezen die zij voor hem uitgestippeld had. Na nog zes bladzijden legde ik Dat Boek weg. Definitief weg. Want de plotseling overleden echtgenoot had zijn vrouw met de nodige problemen achtergelaten.

Ik lag lang wakker die nacht. Als ik de eerste versie van een boek aan het schrijven ben, lees ik met opzet nooit een boek van een andere schrijver, omdat ik bang ben dat ik daar onbewust iets van zou kunnen overnemen. En nu dit!

Het is een van de ergste dingen die een schrijver kan overkomen, denken dat je een origineel verhaal schrijft en er dan achter komen dat iemand een soortgelijk verhaal heeft geschreven. Ik wist zeker dat ik Dat Boek nog niet gelezen had toen ik Late lente schreef. Maar toch…

Late lente, gaat over Liesbeth, een vrouw van vijftig die na de hartaanval van haar man haar leven opnieuw vorm moet geven. Ze wordt geconfronteerd met de onzekere toekomst van hun bedrijf en een zoon die zijn eigen plannen maakt.

Ik ben nu een beetje van de schrik bekomen. Want hoeveel boeken zouden er zijn over vrouwen met overleden echtgenoten en eigenwijze zonen? Mijn Late lente is heel anders dan het boek waar ik zo van schrok.

Toch heb ik Dat Boek niet uitgelezen. Sterker nog, ik heb het bij het oud papier gelegd. En nee, je hoeft me niet naar de titel te vragen: die heb ik uit mijn geheugen gewist.

’n linkse en ‘ne rechse gitaar

E puueske geleje stóng ’ne oproop veur gitare inne gezèt. Es luuj die nag hawwe ligke en d’r nieks mit deje, kóste ze die urges in Midden-Limburg kwiet. Dao zoewe ze dan jóngere, die anges mer get róndj hónge, gitaar lieëre spele. Det is e good dingk, dach ich.
Doe veel mich in det v’r zelf al jaore ’n gitaar oppe zölder hawwe ligke. Ingepakt in ’n voelnistoet. Die gitaar hawwe v’r ’ns gewónne op ’ne Bóntje Aovendj. Drie jaor op rie wónne v’r op dae Bontje Aovendj de hoofpries vanne laoterie; twieë kieër waas det ’n half verke en de derdje kieër ’n gitaar. Natuurlik woor ich blie mit die gitaar, al haw ich mit e half verke baeter oet de veut gekös, want ich bön zoea muzikaal wie ’ne zak aerpel.
Wie v’r mit die gitaar heim kome, vroog ich aan mien kinjer: ‘Witj eine van uch soms emes dae get mit det dink kintj doon?’
‘Nou…’ zag de zoon, ‘ich wel dem waal höbbe.’
‘Ich eigelik ouch,’ zag de dochter.
‘Geer allebei?’ vroog ich verwónjertj. ‘Ich höb noeats gemerk det g’r zón interesse  in meziek höbtj.’
‘Ich höb blokfluitles gehadj!’ zag de zoon.
‘Ich ouch. En ich höb ouch ’t diploma gehaoldj.’
‘Ich höb ummer de radio aan,’ zag de zoon weer.
‘Väöls te hel,’ meujdje miene miens zich d’r mit.
‘Ich bedink waal get,’ zag ich. Det waas nagal optimistisch, want es twieë man hetzelfdje dink wille höbbe – en dao is d’r mer ein van – höbs se ’n probleem. Zoea beginne oorloge.
Ich wis det de zoon e paar vrunj haw die in e bendje speeldje en de dochter haw inderdaad drie jaor lank braaf blokfluit geoefendj.
Daorom reje v’r e paar daag later nao de meziekwinkel om ’n twieëdje gitaar te koupe. Precies dezelfdje.
De daag drop ginge v’r weer truuk óm de snaore óm te laote zitte, want de dochter is ’n linksepoeat.
In aafwachting van concerts, oetveuringe en hoeskamerserenades ginge de gitare mit nao de studentenkamers. Gitaarspele vónje ze ech sjiek. Mer al gaw kome ze drachter det gitaarspele neet allein sjiek is, mer ouch lestig. En det se det allein mer lieërs es se oefens. En in de studie ging al zoea väöl vrieje tied zitte…
Wie ’t einpersoons bèd veur e twieëpersoons ómgetoes waerdje, woor d’r te min plaats oppe kamer en koom de ieëste gitaar op heim aan. Ze belandje in ’ne gries plestieke toet oppe zölder. En dao ligk ze noe nag.
Ich höb d’r nag noeats emes op huuere spele.
Waat mit die anger gitaar gebeurdj is, weit ich neet. Ich vraog det mer baeter neet nao, want ich bön bang det die in e kretje beer is omgezatj.

de kip of het ei

De reis begint goed met de sprinter van Arriva die om 09.02 uur precies voor onze neus staat. We stappen in. Jammer, geen plaats meer. Maar eigenlijk toch wel. Zo te zien claimen veel studenten een extra plaats voor hun tas. Spontaan wordt geen ruimte gemaakt, dus vraag ik erom. Ik mag gaan zitten. Wel met uitzicht op een zuur gezicht.
De overstap van Arriva naar de NS verloopt vlekkeloos, maar in het volgende station gaat het fout. We vertrekken nog niet, zo wordt omgeroepen, vanwege een passagier die weigert de trein te verlaten. Deze boodschap wordt enkele minuten later herhaald; nu door de hoofdconducteur die zegt dat de politie eraan te pas gaat komen. Hij zegt ook dat hij het betreurt, maar dat hij de regels moet naleven. In de stiltecoupé waar we zitten wordt er even geroezemoesd. Dan wordt het weer rustig.
In het volgende omroepbericht legt de hoofdconducteur uit dat we helaas niet kunnen vertrekken voordat de politie er is, omdat de weerspannige passagier dreigt zich voor de trein te gooien. Regels zijn regels, hij betreurt het, maar hij kan niet anders.
In de coupé wordt gemompeld, gezucht, op horloges gekeken en driftig geappt.
Het schiet niet op. De stress in de stem van de hoofdconducteur loopt bij elk herhaald omroepbericht op.
Plotseling ontploft er drie stoelen achter ons iemand. Een oudere mevrouw vliegt overeind. ‘Wat een beleid!’ schreeuwt ze. ‘Honderden mensen lopen vertraging op vanwege één…. een zo’n…’ Van boosheid en frustratie kan ze niet uit haar woorden komen. Briesend gaat ze verder over haar dochter die huisarts is en waar ze op de kinderen moet passen.
Even heeft de coupé begrip voor haar uitbarsting, maar daarna wordt ze erop gewezen dat ze in een stiltecoupé zit. Morrend gaat ze weer zitten.
Berustend in het feit dat wij ook onze aansluiting gaan missen, vis ik de krant uit mijn tas, die net vandaag kopt: ‘Kaartjes Arriva en NS flink duurder.’

Wat is hier de kip en wat is hier het ei, vraag ik me af.

Bank

Kent u die bank die haar adviescentra in prachtige panden huisvest? Het is dezelfde bank die de kantoren in de dorpen sluit om, naar eigen zeggen, de dienstverlening aan haar klanten te verbeteren. Hoe verzin je het! Kwestie van communicatie? Van die bank kregen we een uitnodiging om bijgepraat te worden over onze ‘belegging.’ Helaas is die belegging niet meer dan het bedrag dat we gespaard hebben om zonder problemen begraven te worden. Maar dat kan de pret niet drukken; we gingen op de uitnodiging in.
De navigatie bracht ons naar een prachtig monumentaal pand in een afgelegen dorp. Glazen deuren schoven geluidloos open en in een ruime en aangenaam verwarmde entree werden we door twee dames vriendelijk ontvangen.
Een van beide dames leidde ons door de schitterend gerenoveerde historische carré-boerderij naar een luxueus ingericht kantoor. Daar konden we kiezen tussen koffie, thee of zelfs lekkere koffie, bijvoorbeeld cappuccino. Mijn grap, dat ik liever lekkere dan smerige koffie dronk, kwam niet over, maar ook daarover niet getreurd.
Het immer laagblijvende rentepercentage op de gewone spaarrekening vond ik wel een reden om te treuren, maar daar kon de aardige juffrouw dan weer niets aan veranderen. Dat ze het verkeerde dossier voor zich had liggen en ons met de verkeerde naam aansprak, weer wel, maar ach…
Ze informeerde ons uitgebreid in Jip-en-Janneke-taal over andere beleggingsvormen. We zogen alle informatie op, want goede raad was duur, dat zagen we om ons heen.
Omdat er uiteindelijk onder de streep niets voor ons veranderde, hebben we alles maar gelaten zoals het was.
Twee dagen later kregen we een mailtje waarin gevraagd werd het gesprek te ‘evalueren.’

Tja, wat moet je dan zeggen?

Nicky

Nicky’s herdenkingsmonumentje

Er is iets raars aan de hand met Nicky. (Ja, díe Nicky bedoel ik inderdaad).
Waarom ik niet gewoon Nicky Verstappen schrijf? Dat is een kwestie van gevoel, precies uitleggen kan ik dat niet, maar sinds ik weet van het bestaan van Jos B, voelt Nicky beter dan Nicky Verstappen.
Het heeft waarschijnlijk te maken met het monumentje van Nicky op de Brunssummerheide.

Al tientallen jaren lopen we met onze hardloopgroep kris kras over de Brunssummerheide. Zelfs al in de tijd toen Nicky nog leefde. En ook in de buurt van de Heikop. Daar stonden toen tenten en er speelden kinderen, onbezorgd en vrolijk, zoals kinderen horen te spelen.
Na het drama kwam het monumentje. In de eerste jaren riep de aanblik ervan bij mij niet alleen het beeld op van dat open, vrolijke jongensgezicht, maar ook de vragen: Waarom? Wie? En Hoe moet dat voor de ouders zijn?

Langzaam werd dat anders. En, al heb ik het idee dat men dicht bij de plek waar het gebeurde toch iets intenser meeleefde dan in de rest van het land, toch verbleekten de emoties met het verstrijken van de jaren. Ook bij mij. Nicky Verstappen werd een woord, een richting, een punt in een hardlooproute.

Nu echter, na het vinden van Jos B. zit het jongetje Nicky weer opnieuw op mijn netvlies. Ook de beladenheid van de plek waar het monumentje staat, is weer helemaal terug. En niet alleen bij mij. Telkens als we er met de groep passeren is er wel iemand die Nicky ter sprake brengt. Zou dat ooit nog slijten?

‘Record’

Op de dag waarop weerman Thijs Zeelen na de heetste zomer ook een record-koude septembernacht meldt, kan ik ook een ‘record’ melden. Ja, die aanhalingstekens horen erbij, want op zich is 5 km in 33 minuten natuurlijk een record van niks. Toch is de deelname aan de IBA Leisure Run – een eenmalige hardloopwedstrijd over de Buitenring rond Parkstad – voor mij een record, een mijlpaal.

Meer dan twintig jaar geleden begon ik met hardlopen. Dat ging lekker. Niet hard, maar wel vér, tot halve en hele marathons toe.

Een jaar of vijf geleden ging mijn conditie – door medisch gezeur – bergaf … en nog meer bergaf tot ik uiteindelijk helemaal stil stond.

Met vallen en opstaan, minutenloopjes, stimulerende hardloopapps, de vrienden van de ZML en sinds vorig jaar een nieuw loopmaatje, is het me vandaag gelukt 5 km aan een stuk te lopen. En daar ben ik trots op.

Haast

Vanmorgen had ik haast. Ik moest voor negen uur in de auto zitten en van te voren wilde ik nog snel naar de supermarkt om daar met mijn volle zegelkaart twee waterglazen te halen. De waterglazen waren op, wat te verwachten was, want het was de allerlaatste dag van de spaaractie.
Terwijl ik met lege handen langs de kassa liep, zag ik daar mijn kapster staan. Tijdens een heel kort praatje, maakte ze een gebaar met haar handen dat ik wel registreerde, maar dat niet echt tot me doordrong. Pas op de fiets naar huis realiseerde ik me wat het voor een gebaar was, haar handen gingen omhoog, ze bewoog met haar vingers, maar ze maakte het gebaar niet af. Wat had ze willen doen? Iets met mijn haar? Zag ik er niet uit? Ik was onder de douche geweest, had mijn haar gewassen en …. nee niet geföhnd…. ook geen gel erin… O, jee…. had ik mijn haar zelfs niet gekamd?

euver vreuger en vandaag

‘Vreuger,’ zaetj ze mit fónkelendje ouge, ‘toen ginge veer te voot nao sjoeal. Door ’t veldj van bie ós nao ‘t durp. Oppe klómpe.’
Ze sjödt mit de kop en wies nao boete wo de sjoeal net oet is. Jóng meuderkes spóje zich mit de kinjer inne auto heives. ‘Kinjer loupe neet mieër. Ze waere mer gehaoldj en gebrach.’
‘Kinjer allein laote euverstake is väöls te gevieërlijk,’ zèk ich. ‘En mit de auto of mit de fiets geit ’t flotter. Es se alles wie vreuger te voot mos doon, hoof se aan wirke neet te dinke.’
Ze huuertj mich aan, mer geit weer door euver vreuger.
‘Vreuger, toen wirkdje de luuj op zóndig neet. Allewiel wirke ze sónjes wie door de waek, ze kriege noeats genóg.’
‘Idderein wiltj zien kinjer gaeve waat ze nuuedig höbbe. En alles is zoea duur gewore det se waal mit twieëman mós wirke om dao te komme.’
‘Vreuger, höb ich ouch väöl mótte wirke. Det woor eimaol zoea. Idderein mós hel wirke. Ich weit nach det ich bie ‘n tant mós gaon poetse. Ich zag taege moder: “Dao gaon ich neet mieër haer, dao mot ich vaege wo nieks ligk.” Mer of ich dao haer ging. Ich haw nieks te wille!’
Euver het wirke det se deej wiej ze jóngk woor is ze nach neet oetverteldj.
‘Inne oorlog höb ich bie ’ne boer gewirk. Mit ’n koppel paerd mós ich de erpel oetvare. Van de boer mós ich de paerd flink laote gaon, mer de rapers moeldjen op mich. Die móste de erpel te wied haole.’
Ich weit nieks truuk te zègke, mer det hoof onneet. Zie is noe ech op dreef.
‘Pap haetj ouch altied hel gewirk. Es ich ’m mit de traktor de plaats op huuerde kómme, mós ich de soep op sjöppe. Dan kós der die drek aete. Hoofde der neet te blaoze.’
Ze liet häöre kop ’n bietje hange. ‘Waat waas det eine goje miens. Zónne goje krieg ich noeats mieër.’
Ich zeen det ze dink aan vreuger, aan det klein maedje op klómpe, aan die jóng vrouw op ’t veldj en aan die vrouw die allein achter bleef. Ich krieg inne gate det ich mit häör baeter euver vreuger kin kalle es euver vandaag.
Ich sjöd ós nach ’n tas kóffie in en vraog: ‘Verteltj mich èns, wiej woor det in de oorlog …’

de krant gehaald

Van iemand die ik goed ken, kwam een appje met een foto binnen. Geen onderschrift. Wel een smiley. Verbaasd bekeek ik de foto. De kisten met boeken vielen meteen op. Daarnaast natuurlijk ook de jonge vrouw in de roze jurk die daar zo mooi in het midden staat. Leuk, dacht ik, toen ik verder las, het is dus een verslagje van de Deventer Boekenmarkt 2018.  Zes kilometer boeken. Volgend jaar ben ik  weer van de partij.  Toen ik beter keek, zag ik dat de vrouw rechts in de hoek erg veel op mij leek. Sterker nog, ik wás het. Ik herkende het shirtje en mijn tas, beide al minstens vijf jaar geleden afgedankt. Mijn haar was wel erg wit, maar bril en houding, ja dat was ik in Deventer op de boekenmarkt in 2013. Dan zijn ze daar bij de krant wel erg zuinig op hun foto’s, dacht ik. Of misschien had de fotograaf dit jaar geen zin in foto’s maken. In elk geval had ik toch weer mooi de krant gehaald. Helaas slechts alleen maar opgemerkt door onze zoon.

 

Bijzonder blij

Als je naar de foto’s kijkt, denk je misschien: hm… een boek, een groepje sporters bij een vijver, dat is niet bijzonder. Maar voor mij is het dat wel.

 

Het boek is de nieuwste jubileumomnibus van Zomer en Keuning waar een kort verhaal van mij in staat en ik vind het nog altijd bijzonder mijn verzinsels in een boek te zien staan.

 

 

Van beide andere foto’s word ik blij. Met de ZML (Zondag Morgen Lopers) rennen we al zo’n vijftien jaar elke week een uurtje door de Brunssummerheide. Ik ben er dankbaar voor dat mijn lijf dat nog altijd toelaat.
Afgelopen zondag kwamen we langs de de vijver (die Koffiepoel heet. )‘Kijk eens hoe mooi!’ riep iemand. ‘Fotomomentje!’ riep een ander… en even later werd de foto gemaakt. Het resultaat mag er zijn: alleen maar vrolijke gezichten.