BLOGJES

de week van…

drukproeven en postnl.nl

 

 

 

 

Donderdag:
er komt een uitgeprinte drukproef van Late lente (= roman voor oktober 2018) naar je toe, zegt mijn uitgever in Utrecht.  Is al op de post, heb je het voor het weekend.

Vrijdag:
een heel hoofdstuk herschreven van NogGeenGoedeTitel (= roman voor 2019)

Zaterdag:
nog geen drukproef ontvangen: wel een half hoofdstuk herschreven van NGGT en naar een leuk feestje geweest.

Zondag:
rustdag voor postnl.nl en na het herschrijven van de andere helft van het hoofdstuk ook rust voor mij.

Maandag:
geen drukproef ontvangen. Maar op maandag wordt niet bezorgd. Hoe terecht dat is, kan ik niet beoordelen.

Dinsdag:
vroeg in de ochtend: rode pen en vergrootglas klaargelegd.
vroeg in de avond: pen en vergrootglas onverrichterzake opgeruimd en nog even gaan fietsen.

Woensdag:
vroeg in de ochtend: noodgedwongen de uitgever om een nieuwe drukproef gevraagd
laat in de ochtend: ring ring, ja hoor het brievenbuspakje!!
midden in de middag: op de site van postnl.nl op ‘late bezorging’ gezocht. Nul hits. Wel de mogelijkheid tot chatten met een van onze agenten gezien. Na een half uur vergeefs wachten de verbinding maar weer verbroken. Er was niemand beschikbaar.

Ineens drong het tot me door: Die postnl.nl medewerker is natuurlijk meteen vandaag met mijn nieuwe brievenbuspakje vanuit Utrecht naar Limburg vertrokken.
En Limburg is ver… heel ver.
Dus spreekt het vanzelf dat de tarieven binnenkort weer verhoogd worden.

warm warmer warmst – heet heter heetst – goed beter best

 

 

 

Buiten warm. Binnen warm. Buiten zoek ik de schaduwrijke plekjes op. Soms heb ik het geluk dat er een zuchtje wind naar me toe komt. Binnen, schrijvend aan mijn nieuwe boek, is het zo mogelijk nog warmer. De tuindeur staat open, maar het enige effect is dat de warme lucht van binnen zich vermengt met de warme lucht van buiten. Alle planten in pot en tuin smeken om water.

Gisteren, na weken van puffen en zweten, was de weerman eindelijk bereid een flinke bui te voospellen. De hele dag was het, in afwachting van de regen, warm, warmer, warmst en heet, heter, heetst. Van regen niets te merken. De zon bleef maar schijnen. Tegen de avond zag ik eindelijk donkere wolken aan komen drijven, zwaluwen vlogen hoog in de lucht en de wind stak op… Er vielen een, twee, drie… acht, negen, tien druppels… Uit de tuinen in de buurt klonk gejuich. Ineens brak de bewolking open en het was weer droog.

Tja, eerlijk is eerlijk, het warme weer heeft zo ook zijn voordelen: het aubergine-experiment gaat slagen en zulke dikke tomaten heb ik nog nooit gehad.
Goed beter best.

lang-lang-kort-kort… of half-half

De titel van dit blogje is geen morse, slaat niet op mijn kapsel, maar op mijn schrijfactiviteiten van dit moment. Lang, lang, dat zijn de twee romans die ‘af’ zijn. (Late lente is echt klaar om gedrukt te worden, van Rita wacht ik de mening van de uitgever nog af.)

Kort, kort, dat zijn de blogjes die ik schrijf omdat ik het gewoon niet laten kan. (Ik vraag me af of er überhaupt iemand is die mijn blogjes leest.)

Tja en halflang… dat is het verhaal waar ik nu aan bezig ben. Ik werk er lang niet zo fanatiek aan als aan mijn andere romans. Vraag mij niet waarom. Geen idee.
De hoofdpersoon heet Claire en ze heeft in het eerste hoofdstuk al heel wat met haar omgeving te verhapstukken.  Bovendien heb ik nog duizend ideeën over wat er verder nog allemaal met haar gaat gebeuren.Nee, ik benijd Claire niet. Maar we gaan verder, Claire en ik. Totdat Claire weet of ze een roman gaat worden. Of een kort verhaal. Of helemaal niks.

 

 

weg van jezelf

Afgelopen week maakten we een fietstocht. We zouden de boel de boel laten en gewoon onze benen het werk laten doen. Geen grote plannen, alleen maar wat kletsen. En genieten van de omgeving, het weer, de mensen, het eten en de wijn. Nergens aan denken, niet piekeren: onze zinnen verzetten, meer niet.
We hadden gekozen voor een rondje Bodensee. Van de Oostenrijkse stad Bregenz via Zwitserland, Duitsland en het bloemeneiland Mainau weer naar Bregenz. Voor mensen die ervaring hebben met fietsvakanties is de duur, de afstand en de zwaarte van de tocht niet echt spectaculair maar voor ons was het op dit moment perfect.
Alles was zoals we het maar konden wensen, de zon scheen, de mensen waren vriendelijk en het landschap was prachtig.
Maar toch… de rozen op het eiland Mainau stuurden mijn gedachten naar Late lente dat over rozen gaat en in oktober gaat verschijnen… via dat verhaal belandde ik bij verdrietige herinneringen aan een goede vriend … we passeerden slot Montfort dat me terugbracht naar mijn jeugd … ik maakte foto’s van een Hundertwasser gebouw en besloot dat die boven het bureau zouden komen te hangen en ik reed mijn achterband lek. Toen ik mopperend en zwetend een uur lang langs een drukke weg moest lopen, drong tot me door dat je – hoe ver je ook gaat – je jezelf toch altijd meeneemt.

‘Koffie’-bonen in de moestuin

Moestuinen zijn in. De supermarkt deelt kruidenpotjes uit en op internet vind je allerlei informatie over het (biologisch) kweken van groenten en fruit. En ook ik begon een aantal jaren geleden met het planten van een paar tomatenplanten in de border. Dat die tomaten een vlinderstruik en een forsythia als buren hadden, leek ze niet te deren; ze groeiden voorspoedig en gaven rijkelijk vruchten. Die oogst aan smakelijke rijpe tomaten stimuleerde mij enorm en het jaar daarop breidde ik mijn moestuintje uit.  Courgettes, aardbeien, en prei wonnen het van de vlinderstruik. Op de plaats van de schoenlappersplanten kwamen worteltje en sla en in plaats van twee tomatenplanten namen er we tien.
Er was een jaar waarin alle aardbeien voor de vogels waren en ik tevergeefs probeerde erwten te kweken, in een ander jaar eiste de prei-mot de helft van mijn prei op.  (Om dit in een goed perspectief te plaatsen, het waren dertien planten; want zo groot is onze tuin nou ook weer niet.)
In een overmoedige bui plantte ik vorig jaar drie pompoenen. Daarmee was meteen de helft van de beschikbare grond ingenomen. Dit jaar dus geen pompoenen en het net ligt al over de aardbeien.
Nu, op de helft van mei, zie ik veelbelovende tomaatjes, aardbeien met blozende wangen, lente-uitjes, wortelen en prei. Helaas zijn de slakken er met bijna al mijn courgettes en mijn sla vandoor. Ik hoop dat ze vergeten zijn waar ze de boel gehaald hebben, zodat een nieuwe ronde zaai- en pootronde het wel haalt.

Vandaag heb ik op de plaats waar de narcissen stonden prinsessenboontjes gepoot. En omdat ik heb horen zeggen dat koffiedrab goed zou zijn, heb ik er telkens wat koffiedrab bij gedeponeerd.
Het is een risico, die ‘koffie’-bonen, ik weet het. Voor het hetzelfde geld eten we straks bruine bonen

Achterlicht

De avond begon te vallen toen we over A2 naar huis reden. Links van ons flitste de ene na de andere auto voorbij, maar wij hadden geen haast en de stroomsnelheid van de rechterbaan beviel ons prima. Zodoende zag ik achterlichten, heel veel verschillende achterlichten. Ik begon erop te letten.
Er waren lelijke achterlichten. En saaie achterlichten die uit fantasieloze rechthoekjes en ovaaltjes bestonden. Maar er waren ook prachtige lichten. Ik was weg van een strak belijnde op zijn kant liggende U. Daarna passeerde een gestileerde L. Het in eerste instantie saaie rondje was, bij nadere beschouwing, opgebouwd uit een aantal kleiner wordende cirkels. Ook leuk. Een grote (dure?) auto bezat twee mooie helderrode strepen. Ik zag een trapezium en iets wat op een accolade leek.
Bestonden er achterlichtontwerpers, vroeg ik me af? Vast wel.
Of zouden de ontwerpers van de auto’s de achterlichten meenemen in hun ontwerp? Kan ook.
Naarmate de rit vorderde, stelde ik vast: hoe duurder de auto, hoe mooier het achterlicht. Nee, geen verrassende conclusie. De tweede conclusie: hoe ouder de auto, hoe saaier het licht, was ook niet verrassend.
Thuis gekomen, rende ik natuurlijk meteen naar de achterkant van onze auto. Hele saaie lichten! Dat was geen verrassing, maar wel jammer.
Ik zou best achterlichten willen hebben in de vorm van een mooie letter M; mijn man zou misschien een W willen hebben… een omkeerbaar achterlicht, was dat wat?
Ondertussen reed mijn man onze auto de garage in. En deed de lichten uit.
Ach, dacht ik, onze lichten zijn prima. En overdag zie je ze toch niet.

Koepelroman Schaduwreis

Heb je bij de term ‘koepelroman’ je wenkbrauwen opgetrokken? Heb je je afgevraagd wat een koepelroman nou weer voor iets is?

Waarschijnlijk is Schaduwreis de allereerste Nederlandse koepelroman. (En ik ben er stiktrots op dat ik daaraan meegewerkt heb)
De koepelroman Schaduwreis is een boek met een bijzondere structuur. Er staan dertien verhalen in, met dertien verschillende hoofdpersonen, geschreven door dertien verschillende auteurs en toch is het een roman en geen verhalenbundel. Dat komt doordat er door alle verhalen heen een veertiende verhaal geweven is en het is die overkoepelende verhaallijn die van Schaduwreis iets bijzonders maakt.
Het verhaal gaat over Nadine die aan de hand van oude, aan haar gerichte ansichtkaarten een reis door Europa maakt. Dezelfde reis die haar vader ook ooit maakte…
Niet alleen de structuur van het boek is ongebruikelijk, ook de werkwijze want de schrijvers kennen/kenden elkaar eigenlijk alleen maar via sociale media. Er moest dus heel wat heen en weer gemaild worden voordat ideeën vaste vorm kregen en er werkelijk geschreven kon worden. Ook het ontwikkelen en stroomlijnen van de verhaallijn van Nadine maakte het schrijfproces ingewikkeld, maar interessant en we zijn met zijn allen supertrots op het resultaat dat op 21 april 2018 bij Uitgeverij Bagage is verschenen.

Bushaltegesprek

In de beschutting van de abri wachtte ik op de bus. Het regende alsof het nooit meer zou ophouden toen een welgedane heer over het zebrapad aan kwam. Op zijn hoofd droeg hij een koddig roestbruin hoedje en onder zijn openhangende regenjas werd ik een gezelligheidsbuik gewaar. Hij bekeek mij waarderend, ondanks mijn leeftijd. Was dit te danken aan de zorg waarmee ik mijn fleurige T-shirt had uitgezocht? Had mijn peperdure verjongende crème dan toch gedaan wat hij in de televisiereclame beloofde?

De heer zette een stap in mijn richting, kruiste zijn armen over zijn buik en stak van wal. ‘Wat een weer, hè?’
Niets onschuldiger dan op de bus wachten en een praatje maken over het weer. Dacht ik.
‘Ja,’ knikte ik en glimlachte.
Fout! Met een vonk in zijn ogen schoof hij iets dichter naar me toe.
Ik probeerde me onopgemerkt dieper in het bushokje terug te trekken. Ik zag de snor boven zijn mond bewegen op een ritme van lange zinnen. Door het langsrazende verkeer hoorde ik slechts losse vlagen: werk zoeken, solliciteren, outplacement, afspraken en kennismakingsgesprekken. Werkzoekenden verdienen zonder meer mijn sympathie, dus nam ik een beleefd luisterende houding aan.
Hij wipte omhoog op zijn Mephistos en boog zijn bovenlichaam naar voren in de richting vanwaar de bus moest komen. ‘De bus is laat,’ zei hij.
Ik humde.
Breed lachend en zonder consideratie stapte hij mijn persoonlijke cirkel binnen. Verdorie! Waar bleef de bus? Ik rook zijn koffieadem en deed een miniem pasje naar achteren. Nu stond ik echt met mijn rug tegen de wand.
‘Gezellig, zo samen babbelen,’ zei hij glunderend.
Ik ontweek benauwd de uitnodigende blik in zijn glimmende oogjes. Eindelijk! In de verte kwam de bus!
Hij liet me galant als eerste instappen. Ik voelde de haren in mijn nek bewegen toen hij vlak achter mij binnenstapte. Zo snel ik kon, nam ik de enige zitplaats voor één persoon in beslag.
Terwijl hij langsliep zag ik de teleurstelling in zijn ogen.

Duif

Ik was bij mijn vriendin Eline op de koffie. We zaten in hun grote achtertuin en keken toe hoe haar man Sjaak eerst de vissen in de vijver voerde en daarna zorgzaam noten voor de eekhoorns klaarlegde.
Eline houdt van bloemen, haar gezin en een schoon huis.
Sjaak houdt vooral van vogels, vissen, bergtochten, bos en hei. En natuurlijk ook van Eline en de kinderen.
Nadat Sjaak het vogelbadje had bijgevuld, keek hij zoekend om zich heen.
‘Sjaak mist Doortje,’ souffleerde Eline. ‘Niet over praten.’
Hoofdschuddend ging hij zitten.
‘Is er wat, Sjaak,’ vroeg ik. Ik kon het niet laten. Naast mij gromde Eline.
Hij ging rechtop zitten en begon enthousiast te vertellen.
‘Op een avond, ongeveer een maand geleden zat dáár onder de boom een duif. Het arme dier was totaal uitgeput. Het was een geringde postduif uit België. Ik heb haar Doortje genoemd, haar gevoerd en verzorgd en-’
‘En vanmorgen vloog ze weg,’ onderbrak Eline hem. ‘Sjaak, je hebt Doortje goed verzorgd, ze was weer fit en dus vloog ze naar huis. Zo gaat dat met dieren.’
‘Weet ik,’ antwoordde Sjaak, ‘maar-’
‘Ja, zeg je had toch geen afscheidskaartje verwacht?’
‘Nou, je gaat je toch aan zo’n beestje hechten.’ Hij klonk beteuterd.
Even later klonk er roekoe vanaf het garagedak. Doortje was teruggekeerd!
Verheugd sprong Sjaak op.
Ik mocht de glans van haar groenblauwe keel bewonderen en ik zei dat ze er inderdaad blakend uitzag.
Sjaak straalde en Eline rolde met haar ogen.
Vanmorgen belde Sjaak. Hij had Eline voor een stedentripje naar het vliegveld gebracht. Ja Eline had gebeld, ze was goed geland en ik moest de groeten hebben.
En ze hadden Doortje meegenomen in een doos met luchtgaten op de achterbank. Ja, Doortje was nu helemaal fit en zo’n dier moest toch de ruimte hebben, hè. Op een beboste heuvel, anderhalf uur rijden van huis, had hij haar de wijde wereld ingeworpen. Het moest, hè.
Nu was hij weer thuis, en eh…, Doortje was er ook. Ze was weer helemaal teruggevlogen. Knap, hè. Maar hij had nog wat. Het slaapkamerraam was open blijven staan. Doortje was erdoor naar binnen gevlogen… en ze had Elines dekbed vol gescheten… Kon hij dat laten liggen totdat Eline terug was?

de Sint-Joep mert,

 

Sittard St. Rosa kapel

e kort Limburgs verhaolke

Nico stoeatj Ans aan. ‘V’r mótte zoea droet. Maak dich vaerdig.’
Om de daag neet noe al te verknoeaje teltj Ans ieës toet vief veurdet ‘t zaet: ‘Nach drie haltes, ich weit ‘t, ich gaon al jaore mit de bös nao Zitterd.’
Naeve ein inne bös nao Zitterd, nao de Sintjoepmert…
Op zich is dao nieks mis mit. Nico wirk neet mieër en daoróm haet d’r noe tied veur zón saort dinger. ’t Kump allein neet altied aeve good oet.
Zoea wie gistermiddig. Ciska waas gekómme veur ’n tas koffie. Ans haw Nico al gezag det hae gerös weg kós gaon. Det hae aan dae vrouwluujkal toch nieks aan zoe vinje. Mer hae woor blieve zitte, haw kóffie mit gedrónke.
Gezellig toch?
Neet dan?
Wiej Ciska euver de SintJoepmert begös, koom droet det Nico gaer mit wól.
‘Nach ein halte!’
Ans kiek opzie. Nico drejt zich de sjaal ómme nak. ’n Goje man, mer soms zit d’r zoea versjrikkelik inne waeg.
Gistermiddig waas ech neet leuk…
’t Meiste haw ’t zich geërgerdj wie d’r zag det het zich ummer get leet aansmere. Ciska hawwe Ans ‘ns aangekeke en gezag det hae zelf mer aaf mós wachte toet d’r truuk woor van de mert. ‘Idderein lieët zich get aansmere. Det is gewuuen zoea. Det huuertj zich zoea. Det is de lol d’r van.’
Nico, d’n eigenwieze, ging dao weer hel taegenin. ‘Det zal mich neet gebeure!’
Ans bleus lansaam zien aom oet. Same nao de SintJoep … ’n half oer te laat. Ciska is al dao. Det haetj de ieëste lap stóf al binne.
Idder jaor gaon ze biej dezelfde man e puueske in ’ne berg lappe sjómmele. En dan gaeve ze zich ongerein raod. Dao kinne ze gerös óngerhalf oer blieve zeuke mer es ’t speel dan ’n enj haet, höbbe ze waal allebei e paar sjoean lappe. Daonao is ’t tied veur ‘n tas kóffie.
Wie zal det gaon went Nico d’r biej is?
Op waeg nao de kóffie kiek Ans gaer ‘ns biej de oere, de tesse en de zónnebrille. Dao spich ‘t zich op. Dök höbbe ze allebei al ’n nuuj tes of ’ne zónnebril veurdet ze ech aan de koffie zitte. Mesjiens duitj Nico zich content es d’r zichzelf ‘ne zónnebril oet kintj zeuke…
Nao de koffie is ‘t tied loestere nao de verkuipers. Waat die zich droetkraome. Dae kaerel mit zien spekke, dae Hollènjer mit zien metser en dae Belsj mit zien poetsdeukskes… Det is pas lache! Dan köp se get es e saort entreegeldj.
Es de bös stop zaet Nico: ‘Gezellig, hè vrouw! Wo beginne v’r?’
‘Effe wachte,’ zaet Ans, ‘Ich mót Ciska belle.’
‘Ciska kómme v’r waal urges taenge. Kóm, gaef mich ‘ne erm, det v’r gaon.’
Versjrik kiek Ans Nico aan en dink, dit weurtj gaaroet neet gezellig. Es v’r hie mit doorgaon, zeen v’r morge gesjeie. ‘Sjat,’ zaet ‘t, ‘ich krieg inèns zón koppien, volges mich weer migraine. Ich pak mich de bös heives.’
‘Och… doe erm prie. Zal ich mit gaon?’
‘Nae nae, doe bös noe hie, kiek op die gemaak róndj. Mich kins se toch neet helpe.’
Inne bös heives stuurtj Ans Ciska e berichske det ’t dit jaor de SintJoep euversleit om gein ruzie mit Nico te kriege.
‘Waat is det noe jaomer,’ sjrief Ciska truuk, ‘D’r Piet haetj zich veur vandaag vrie gepak. Dae steit hie mit Nico nao sjroeverdrejjers te kieke. Ze höbbe allebei al e tientje inne hènj.’