de kip of het ei

De reis begint goed met de sprinter van Arriva die om 09.02 uur precies voor onze neus staat. We stappen in. Jammer, geen plaats meer. Maar eigenlijk toch wel. Zo te zien claimen veel studenten een extra plaats voor hun tas. Spontaan wordt geen ruimte gemaakt, dus vraag ik erom. Ik mag gaan zitten. Wel met uitzicht op een zuur gezicht.
De overstap van Arriva naar de NS verloopt vlekkeloos, maar in het volgende station gaat het fout. We vertrekken nog niet, zo wordt omgeroepen, vanwege een passagier die weigert de trein te verlaten. Deze boodschap wordt enkele minuten later herhaald; nu door de hoofdconducteur die zegt dat de politie eraan te pas gaat komen. Hij zegt ook dat hij het betreurt, maar dat hij de regels moet naleven. In de stiltecoupé waar we zitten wordt er even geroezemoesd. Dan wordt het weer rustig.
In het volgende omroepbericht legt de hoofdconducteur uit dat we helaas niet kunnen vertrekken voordat de politie er is, omdat de weerspannige passagier dreigt zich voor de trein te gooien. Regels zijn regels, hij betreurt het, maar hij kan niet anders.
In de coupé wordt gemompeld, gezucht, op horloges gekeken en driftig geappt.
Het schiet niet op. De stress in de stem van de hoofdconducteur loopt bij elk herhaald omroepbericht op.
Plotseling ontploft er drie stoelen achter ons iemand. Een oudere mevrouw vliegt overeind. ‘Wat een beleid!’ schreeuwt ze. ‘Honderden mensen lopen vertraging op vanwege één…. een zo’n…’ Van boosheid en frustratie kan ze niet uit haar woorden komen. Briesend gaat ze verder over haar dochter die huisarts is en waar ze op de kinderen moet passen.
Even heeft de coupé begrip voor haar uitbarsting, maar daarna wordt ze erop gewezen dat ze in een stiltecoupé zit. Morrend gaat ze weer zitten.
Berustend in het feit dat wij ook onze aansluiting gaan missen, vis ik de krant uit mijn tas, die net vandaag kopt: ‘Kaartjes Arriva en NS flink duurder.’

Wat is hier de kip en wat is hier het ei, vraag ik me af.

Bank

Kent u die bank die haar adviescentra in prachtige panden huisvest? Het is dezelfde bank die de kantoren in de dorpen sluit om, naar eigen zeggen, de dienstverlening aan haar klanten te verbeteren. Hoe verzin je het! Kwestie van communicatie? Van die bank kregen we een uitnodiging om bijgepraat te worden over onze ‘belegging.’ Helaas is die belegging niet meer dan het bedrag dat we gespaard hebben om zonder problemen begraven te worden. Maar dat kan de pret niet drukken; we gingen op de uitnodiging in.
De navigatie bracht ons naar een prachtig monumentaal pand in een afgelegen dorp. Glazen deuren schoven geluidloos open en in een ruime en aangenaam verwarmde entree werden we door twee dames vriendelijk ontvangen.
Een van beide dames leidde ons door de schitterend gerenoveerde historische carré-boerderij naar een luxueus ingericht kantoor. Daar konden we kiezen tussen koffie, thee of zelfs lekkere koffie, bijvoorbeeld cappuccino. Mijn grap, dat ik liever lekkere dan smerige koffie dronk, kwam niet over, maar ook daarover niet getreurd.
Het immer laagblijvende rentepercentage op de gewone spaarrekening vond ik wel een reden om te treuren, maar daar kon de aardige juffrouw dan weer niets aan veranderen. Dat ze het verkeerde dossier voor zich had liggen en ons met de verkeerde naam aansprak, weer wel, maar ach…
Ze informeerde ons uitgebreid in Jip-en-Janneke-taal over andere beleggingsvormen. We zogen alle informatie op, want goede raad was duur, dat zagen we om ons heen.
Omdat er uiteindelijk onder de streep niets voor ons veranderde, hebben we alles maar gelaten zoals het was.
Twee dagen later kregen we een mailtje waarin gevraagd werd het gesprek te ‘evalueren.’

Tja, wat moet je dan zeggen?

Nicky

Nicky’s herdenkingsmonumentje

Er is iets raars aan de hand met Nicky. (Ja, díe Nicky bedoel ik inderdaad).
Waarom ik niet gewoon Nicky Verstappen schrijf? Dat is een kwestie van gevoel, precies uitleggen kan ik dat niet, maar sinds ik weet van het bestaan van Jos B, voelt Nicky beter dan Nicky Verstappen.
Het heeft waarschijnlijk te maken met het monumentje van Nicky op de Brunssummerheide.

Al tientallen jaren lopen we met onze hardloopgroep kris kras over de Brunssummerheide. Zelfs al in de tijd toen Nicky nog leefde. En ook in de buurt van de Heikop. Daar stonden toen tenten en er speelden kinderen, onbezorgd en vrolijk, zoals kinderen horen te spelen.
Na het drama kwam het monumentje. In de eerste jaren riep de aanblik ervan bij mij niet alleen het beeld op van dat open, vrolijke jongensgezicht, maar ook de vragen: Waarom? Wie? En Hoe moet dat voor de ouders zijn?

Langzaam werd dat anders. En, al heb ik het idee dat men dicht bij de plek waar het gebeurde toch iets intenser meeleefde dan in de rest van het land, toch verbleekten de emoties met het verstrijken van de jaren. Ook bij mij. Nicky Verstappen werd een woord, een richting, een punt in een hardlooproute.

Nu echter, na het vinden van Jos B. zit het jongetje Nicky weer opnieuw op mijn netvlies. Ook de beladenheid van de plek waar het monumentje staat, is weer helemaal terug. En niet alleen bij mij. Telkens als we er met de groep passeren is er wel iemand die Nicky ter sprake brengt. Zou dat ooit nog slijten?

‘Record’

Op de dag waarop weerman Thijs Zeelen na de heetste zomer ook een record-koude septembernacht meldt, kan ik ook een ‘record’ melden. Ja, die aanhalingstekens horen erbij, want op zich is 5 km in 33 minuten natuurlijk een record van niks. Toch is de deelname aan de IBA Leisure Run – een eenmalige hardloopwedstrijd over de Buitenring rond Parkstad – voor mij een record, een mijlpaal.

Meer dan twintig jaar geleden begon ik met hardlopen. Dat ging lekker. Niet hard, maar wel vér, tot halve en hele marathons toe.

Een jaar of vijf geleden ging mijn conditie – door medisch gezeur – bergaf … en nog meer bergaf tot ik uiteindelijk helemaal stil stond.

Met vallen en opstaan, minutenloopjes, stimulerende hardloopapps, de vrienden van de ZML en sinds vorig jaar een nieuw loopmaatje, is het me vandaag gelukt 5 km aan een stuk te lopen. En daar ben ik trots op.

Haast

Vanmorgen had ik haast. Ik moest voor negen uur in de auto zitten en van te voren wilde ik nog snel naar de supermarkt om daar met mijn volle zegelkaart twee waterglazen te halen. De waterglazen waren op, wat te verwachten was, want het was de allerlaatste dag van de spaaractie.
Terwijl ik met lege handen langs de kassa liep, zag ik daar mijn kapster staan. Tijdens een heel kort praatje, maakte ze een gebaar met haar handen dat ik wel registreerde, maar dat niet echt tot me doordrong. Pas op de fiets naar huis realiseerde ik me wat het voor een gebaar was, haar handen gingen omhoog, ze bewoog met haar vingers, maar ze maakte het gebaar niet af. Wat had ze willen doen? Iets met mijn haar? Zag ik er niet uit? Ik was onder de douche geweest, had mijn haar gewassen en …. nee niet geföhnd…. ook geen gel erin… O, jee…. had ik mijn haar zelfs niet gekamd?

Bijzonder blij

Als je naar de foto’s kijkt, denk je misschien: hm… een boek, een groepje sporters bij een vijver, dat is niet bijzonder. Maar voor mij is het dat wel.

 

Het boek is de nieuwste jubileumomnibus van Zomer en Keuning waar een kort verhaal van mij in staat en ik vind het nog altijd bijzonder mijn verzinsels in een boek te zien staan.

 

 

Van beide andere foto’s word ik blij. Met de ZML (Zondag Morgen Lopers) rennen we al zo’n vijftien jaar elke week een uurtje door de Brunssummerheide. Ik ben er dankbaar voor dat mijn lijf dat nog altijd toelaat.
Afgelopen zondag kwamen we langs de de vijver (die Koffiepoel heet. )‘Kijk eens hoe mooi!’ riep iemand. ‘Fotomomentje!’ riep een ander… en even later werd de foto gemaakt. Het resultaat mag er zijn: alleen maar vrolijke gezichten.

 

 

 

 

warm warmer warmst – heet heter heetst – goed beter best

 

 

 

Buiten warm. Binnen warm. Buiten zoek ik de schaduwrijke plekjes op. Soms heb ik het geluk dat er een zuchtje wind naar me toe komt. Binnen, schrijvend aan mijn nieuwe boek, is het zo mogelijk nog warmer. De tuindeur staat open, maar het enige effect is dat de warme lucht van binnen zich vermengt met de warme lucht van buiten. Alle planten in pot en tuin smeken om water.

Gisteren, na weken van puffen en zweten, was de weerman eindelijk bereid een flinke bui te voospellen. De hele dag was het, in afwachting van de regen, warm, warmer, warmst en heet, heter, heetst. Van regen niets te merken. De zon bleef maar schijnen. Tegen de avond zag ik eindelijk donkere wolken aan komen drijven, zwaluwen vlogen hoog in de lucht en de wind stak op… Er vielen een, twee, drie… acht, negen, tien druppels… Uit de tuinen in de buurt klonk gejuich. Ineens brak de bewolking open en het was weer droog.

Tja, eerlijk is eerlijk, het warme weer heeft zo ook zijn voordelen: het aubergine-experiment gaat slagen en zulke dikke tomaten heb ik nog nooit gehad.
Goed beter best.

weg van jezelf

Afgelopen week maakten we een fietstocht. We zouden de boel de boel laten en gewoon onze benen het werk laten doen. Geen grote plannen, alleen maar wat kletsen. En genieten van de omgeving, het weer, de mensen, het eten en de wijn. Nergens aan denken, niet piekeren: onze zinnen verzetten, meer niet.
We hadden gekozen voor een rondje Bodensee. Van de Oostenrijkse stad Bregenz via Zwitserland, Duitsland en het bloemeneiland Mainau weer naar Bregenz. Voor mensen die ervaring hebben met fietsvakanties is de duur, de afstand en de zwaarte van de tocht niet echt spectaculair maar voor ons was het op dit moment perfect.
Alles was zoals we het maar konden wensen, de zon scheen, de mensen waren vriendelijk en het landschap was prachtig.
Maar toch… de rozen op het eiland Mainau stuurden mijn gedachten naar Late lente dat over rozen gaat en in oktober gaat verschijnen… via dat verhaal belandde ik bij verdrietige herinneringen aan een goede vriend … we passeerden slot Montfort dat me terugbracht naar mijn jeugd … ik maakte foto’s van een Hundertwasser gebouw en besloot dat die boven het bureau zouden komen te hangen en ik reed mijn achterband lek. Toen ik mopperend en zwetend een uur lang langs een drukke weg moest lopen, drong tot me door dat je – hoe ver je ook gaat – je jezelf toch altijd meeneemt.

‘Koffie’-bonen in de moestuin

Moestuinen zijn in. De supermarkt deelt kruidenpotjes uit en op internet vind je allerlei informatie over het (biologisch) kweken van groenten en fruit. En ook ik begon een aantal jaren geleden met het planten van een paar tomatenplanten in de border. Dat die tomaten een vlinderstruik en een forsythia als buren hadden, leek ze niet te deren; ze groeiden voorspoedig en gaven rijkelijk vruchten. Die oogst aan smakelijke rijpe tomaten stimuleerde mij enorm en het jaar daarop breidde ik mijn moestuintje uit.  Courgettes, aardbeien, en prei wonnen het van de vlinderstruik. Op de plaats van de schoenlappersplanten kwamen worteltje en sla en in plaats van twee tomatenplanten namen er we tien.
Er was een jaar waarin alle aardbeien voor de vogels waren en ik tevergeefs probeerde erwten te kweken, in een ander jaar eiste de prei-mot de helft van mijn prei op.  (Om dit in een goed perspectief te plaatsen, het waren dertien planten; want zo groot is onze tuin nou ook weer niet.)
In een overmoedige bui plantte ik vorig jaar drie pompoenen. Daarmee was meteen de helft van de beschikbare grond ingenomen. Dit jaar dus geen pompoenen en het net ligt al over de aardbeien.
Nu, op de helft van mei, zie ik veelbelovende tomaatjes, aardbeien met blozende wangen, lente-uitjes, wortelen en prei. Helaas zijn de slakken er met bijna al mijn courgettes en mijn sla vandoor. Ik hoop dat ze vergeten zijn waar ze de boel gehaald hebben, zodat een nieuwe ronde zaai- en pootronde het wel haalt.

Vandaag heb ik op de plaats waar de narcissen stonden prinsessenboontjes gepoot. En omdat ik heb horen zeggen dat koffiedrab goed zou zijn, heb ik er telkens wat koffiedrab bij gedeponeerd.
Het is een risico, die ‘koffie’-bonen, ik weet het. Voor het hetzelfde geld eten we straks bruine bonen

Achterlicht

De avond begon te vallen toen we over A2 naar huis reden. Links van ons flitste de ene na de andere auto voorbij, maar wij hadden geen haast en de stroomsnelheid van de rechterbaan beviel ons prima. Zodoende zag ik achterlichten, heel veel verschillende achterlichten. Ik begon erop te letten.
Er waren lelijke achterlichten. En saaie achterlichten die uit fantasieloze rechthoekjes en ovaaltjes bestonden. Maar er waren ook prachtige lichten. Ik was weg van een strak belijnde op zijn kant liggende U. Daarna passeerde een gestileerde L. Het in eerste instantie saaie rondje was, bij nadere beschouwing, opgebouwd uit een aantal kleiner wordende cirkels. Ook leuk. Een grote (dure?) auto bezat twee mooie helderrode strepen. Ik zag een trapezium en iets wat op een accolade leek.
Bestonden er achterlichtontwerpers, vroeg ik me af? Vast wel.
Of zouden de ontwerpers van de auto’s de achterlichten meenemen in hun ontwerp? Kan ook.
Naarmate de rit vorderde, stelde ik vast: hoe duurder de auto, hoe mooier het achterlicht. Nee, geen verrassende conclusie. De tweede conclusie: hoe ouder de auto, hoe saaier het licht, was ook niet verrassend.
Thuis gekomen, rende ik natuurlijk meteen naar de achterkant van onze auto. Hele saaie lichten! Dat was geen verrassing, maar wel jammer.
Ik zou best achterlichten willen hebben in de vorm van een mooie letter M; mijn man zou misschien een W willen hebben… een omkeerbaar achterlicht, was dat wat?
Ondertussen reed mijn man onze auto de garage in. En deed de lichten uit.
Ach, dacht ik, onze lichten zijn prima. En overdag zie je ze toch niet.