Murphy

Murphy
de wet van Murphy

Ik had het niet moeten doen, die doek met de wet van Murphy erop, meebrengen uit Ierland. Ik wist toch hoe het werkte? Ik had toch al vaker meegemaakt dat als er iets fout kan gaan, dat dan inderdaad ook fout gaat.’
Bijvoorbeeld, de picknickplek. Je bent aan het wandelen of aan het fietsen en zoekt een leuk plekje om je boterhammen op te eten. Niet te vinden. Je strijkt tenslotte ergens in de berm neer. Blijkt vijfhonderd meter verder een ideale bank gestaan te hebben.
De griepprik. Ik kreeg er een uitnodiging voor van de huisarts. De dag nadat ik afbelde -omdat ik me nog jong en gezond voel – begon ik te niezen, kreeg koorts en werd snipverkouden. Drie weken lang kon ik de deur niet uit zonder zakdoeken en hoestbonbons.
De bril. De kaart van de opticien voor controle van ogen en leesbril was geformuleerd in de trant van ‘Want het zijn toch je ogen, nietwaar?’ Ja, en een nieuwe bril is goed voor jouw kassa, dacht ik en scheurde resoluut de kaart doormidden. ’s Avonds, – ik lees altijd in bed- liet het rechterpootje van mijn bril los en het minuscule schroefje verdween onder het bed. Spoorloos en zonder bril dus onvindbaar.
Oké, dat soort dingen gebeurt, dat hoeft niets per se iets te maken te hebben met Murphy.
Maar wat te denken van gisteren?
Ons vliegtuig uit Ierland kwam te laat aan op Schiphol. Trein weg. Laatste bus naar huis weg en we strandden in Sittard. Op zondagavond. Om 23.48 uur. (Ja dat klopt.)
Geen taxi te bekennen. (Ja dat klopt ook, het is Sittard hè, niet Utrecht of Amsterdam) Rechtsomkeer gemaakt en net nog hijgend de stoptrein naar Schinnen gehaald. Vervolgens met een ratelend koffertje te voet op weg van het ene slapende dorp naar het andere. Toen wist ik het zeker: de wet van Murphy bestaat: ik had die doek niet moeten kopen.