Hik sprik sprouw

Gisteren had mijn kleindochtertje van drie de hik. Ze was er blij mee. ‘Oma,’ riep ze, ‘ik heb de hik, kijk eens hoe ik groei!’ Ze ging rechtop staan en rekte zich uit om me te laten zien hoeveel het al scheelde.

Natuurlijk zei ik dat ik het verschil kon zien. (Oma-leugentje) En ik zei natuurlijk niet, wat me meteen daarna te binnenschoot, dat ik als kind bang was om de hik te hebben. Omdat er mij was verteld dat je aan de hik kon sterven en dat dat een paus echt overkomen was.

Ik herinner me dat ongemakkelijke gevoel dat met de hik gepaard ging, nog goed. En al twijfelde ik aan de waarheid van dat Paus-verhaal, die hik moest ik zo snel mogelijk zien kwijt te raken. Dertig tellen de adem inhouden, denken aan wat ik gisteren gegeten had, water drinken, lepeltje suiker eten of heel vaak zeggen:

hik sprik sprouw,  ik geef de hik aan jou, ik geef de hik aan anderman, die de hik verdragen kan

Er was altijd wel iets dat hielp. Mij in elk geval.

De paus niet. Dat heb ik net opgezocht. Volgens Wikipedia is Paus Pius 12 inderdaad in 1958 aan de hik gestorven. Vier jaar lang de hik gehad.

Als ik dat aan mijn kleindochter vertel, wil ze natuurlijk weten hoe lang de paus is geworden.

Voor die waarheid laat ik haar nog maar wat groeien.