de nieuwe jas

Het is gelukt. Eindelijk geslaagd voor een nieuwe herenjas.
We vonden hem in een winkel waar ook dertigers en veertigers voor outfit naar toe gaan. De nieuwe jas was melkchocoladebruin, met een héél klein beetje oranje.
Hij hield de jas op een armlengte voor zich. ‘Kan dat wel, dat oranje?’ vroeg hij.
‘Het oranje zit aan de binnenkant, schat!’
‘Oké dan, als jij denkt dat het kán.’
Opgelucht kochten we de jas. Terwijl hij hem aan de kapstok hing, vroeg hij: ‘M’n groene hoeft toch nog niet weg, zeker?’
‘We laten de groene nog even hangen,’ beloofde ik. Achteraf nogal roekeloos.
Sinds vier dagen hangt de nieuwe bruine dus aan onze kapstok. Naast de overjarige donkergroene die zo lekker zit, die zoveel handige zakken heeft en die précies de goede lengte heeft voor in de auto.
Wat was er eigenlijk mis met groen? Niets toch? Behalve dan dat de groene jas voor mij al enige jaren ‘in de verlenging’ zit. Voor een vleugje jeugd en joligheid heb ik er twee jaar geleden een sjaal bijgekocht. Tevergeefs trouwens. Hij liet hem in de trein liggen.
Gisteren ging hij met vrienden wandelen. Met in elke hand een jas vroeg hij: ‘Trek ik mijn nieuwe jas aan? Of de oude groene?’ De groene had de voorkeur, dat hoorde ik duidelijk.
‘Doe die nieuwe maar aan. Je vrienden zijn ook altijd vlot gekleed,’ was mijn antwoord.
’s Avonds kwam hij terug.
Hij was uitgegleden in de modder.
Vlak naast een weiland.
Met prikkeldraad.
‘Had ik maar…’
‘Ja, had je maar…’
‘Goed dat ik die groene nog heb.’
Zucht. ‘Ja.’