Achterlicht

De avond begon te vallen toen we over A2 naar huis reden. Links van ons flitste de ene na de andere auto voorbij, maar wij hadden geen haast en de stroomsnelheid van de rechterbaan beviel ons prima. Zodoende zag ik achterlichten, heel veel verschillende achterlichten. Ik begon erop te letten.
Er waren lelijke achterlichten. En saaie achterlichten die uit fantasieloze rechthoekjes en ovaaltjes bestonden. Maar er waren ook prachtige lichten. Ik was weg van een strak belijnde op zijn kant liggende U. Daarna passeerde een gestileerde L. Het in eerste instantie saaie rondje was, bij nadere beschouwing, opgebouwd uit een aantal kleiner wordende cirkels. Ook leuk. Een grote (dure?) auto bezat twee mooie helderrode strepen. Ik zag een trapezium en iets wat op een accolade leek.
Bestonden er achterlichtontwerpers, vroeg ik me af? Vast wel.
Of zouden de ontwerpers van de auto’s de achterlichten meenemen in hun ontwerp? Kan ook.
Naarmate de rit vorderde, stelde ik vast: hoe duurder de auto, hoe mooier het achterlicht. Nee, geen verrassende conclusie. De tweede conclusie: hoe ouder de auto, hoe saaier het licht, was ook niet verrassend.
Thuis gekomen, rende ik natuurlijk meteen naar de achterkant van onze auto. Hele saaie lichten! Dat was geen verrassing, maar wel jammer.
Ik zou best achterlichten willen hebben in de vorm van een mooie letter M; mijn man zou misschien een W willen hebben… een omkeerbaar achterlicht, was dat wat?
Ondertussen reed mijn man onze auto de garage in. En deed de lichten uit.
Ach, dacht ik, onze lichten zijn prima. En overdag zie je ze toch niet.