Marathon Berlijn (1998)

Het is zondag 20 september 1998. Nog 14 minuten voor de start van mijn eerste marathon: 42 km en 195 meter. Er staan 20.000 trappelende hardlopers onder het Brandenburger Tor. Sommige trappelen van ongeduld, anderen van de zenuwen en ik trappel omdat ik alweer moet plassen. ‘Ik moet weer,’ zeg ik tegen Emma. Met mijn duim wijs ik naar achteren. Daar staan de bioboxen, waar ik net vandaag kom.  ‘We blijven hier staan, doe maar rustig,’ zegt ze. We, dat zijn John, Emma en Leo. Met John en Leo heb ik veel getraind, we hebben hetzelfde tempo. Emma is supersnel, maar vandaag zal ze bij ons te blijven. Moet ze nou alweer, ik zie het John en Leo denken. Het kan me niets schelen, we zijn nog niet gestart. Beter nu dan straks. En het is nu echt de allerlaatste keer. Ik wurm me tussen de lopers door naar de rand van het mensenveld in de richting van de bioboxen.Voor alle boxen staan een stuk of zes zenuwpezen te wachten. Ik kies een rijtje uit waar veel vrouwen in staan. Vrouwen hebben meer tijd nodig, maar zijn meestal wat netter. Ik rits het zijvakje van mijn bidontasje alvast open, tast naar mijn reserve wc-papier, maar in plaats van iets zachts en donzigs voel ik een glad en stug vel papier. Verrast haal ik het tevoorschijn. Het zien van zijn handschrift maakt me blij. 

Lezen in het startvak, heeft hij erop geschreven. Lief. Ik vouw het vel open. Iemand duwt in mijn rug. Aanschuiven. Sorry. Ik struikel een halve meter vooruit. Je staat nu in het startvak, als je mijn brief tenminste niet stiekem eerder leest. Het is je eerste marathon, je hebt er goed voor getraind en je gaat het halen! Wees daarvan overtuigd. Natuurlijk ben je zenuwachtig en natuurlijk moet je naar de wc. Dat moet je altijd, zo reageert je lichaam nu eenmaal op spanning. Klopt, klopt helemaal. Het is niet alleen mijn blaas, ik voel een kramp door mijn darmen trekken. Ik lees verder. Trek je niets aan van de mensen om je heen, maar loop je eigen tempo. Laat je niet opjagen. Ik sta ergens in de buurt van het halve marathonpunt met bananen en sportdrank. Daar kan ik ook je jasje aanpakken. Ik ga aan de rechterkant van de weg staan. Tot straks, veel succes

Peptalk. Net wat ik nodig heb. Glimlachend doe ik weer een pasje naar voren en stop ondertussen het papier terug. Ja, ik heb goed getraind. Bijna 5 maanden ben ik ermee bezig geweest. Ik heb een goede generale van 38 kilometer gehad: het moet gewoon lukken. Eindelijk ben ik aan de beurt. Mijn theorie over dat dames netter zouden zijn, wordt fors onderuitgehaald: de box stinkt vreselijk. Snel en met ingehouden adem doe ik wat ik doen moet en als ik eruit kom, blaas ik uit. Ik heb nog zes minuten en twaalf seconden. Ellebogend zoek ik mijn groepje weer op en terwijl we elkaar veel succes wensen, begint de opzwepende muziek, de opmaat naar de start. Daarna klinkt het bevrijdende startschot. De massa wordt een brede rivier van lopers. Er deinen duizenden hoofden voor me uit. Langzaam ontstaat er genoeg ruimte voor een sukkeldrafje. Ik hink-stap-spring over rondslingerende flessen met allerlei inhoud, over plastic zakken en over weggegooide T-shirts en truien. Emma geeft me een knipoog en John steekt zijn duim omhoog. Leo zie ik niet meer. Het piepen van de tijdregistratie chips klinkt schril in mijn oren. Bijna bij de start. Ik heb mijn vinger op het knopje van de stopwatch en druk het in als ik met mijn eerste voet de mat raak. 

Zo, nummer F9012 is gestart! De stroom lopers voor en achter me neemt me op. Mijn hart klopt in mijn keel. Ga ik te hard? Niet te snel beginnen. Daarvoor werd ik uit en te na gewaarschuwd. En kijk uit voor de man met de hamer, na dertig kilometer.  Dat is nog ver. Heel ver. Niet aan denken hoe ver. Mijn hartslag is onder de 150, dat is goed. Langs de weg staat veel publiek. Ze roepen. Klappen. Juichen. Ik zie geen bekende gezichten

.

Het is warmer dan ik dacht. Onder het lopen trek ik mijn jasje uit en bind het om mijn middel. Ik maak passen van onregelmatige lengte en hijg een beetje. ‘Wil je zo meteen water of sportdrank?’ vraagt Emma. ‘Zijn we dan al bij vijf? Liever water.’ Ik kan het beter bij water houden. Laatst werd ik misselijk van sportdrank.  Dorst heb ik niet, maar drinken moet. Anders droog je uit en dan kun je het wel vergeten. Ik kijk op mijn horloge: 5 kilometer in bijna 33 minuten.  Als ik dit tempo vol kan houden, red ik het binnen de 4.30 uur. Wow, dat zou goed zijn. Voor mij althans.

Ik probeer de gebouwen langs de route in me op te nemen. Er rinkelt nergens een bel, ik herken helemaal niets, hoewel dit toch mijn vierde bezoek aan Berlijn is. Als we het 10 kilometer punt passeren heb ik nog steeds geen dorst. Toch drink ik weer een bekertje water. Links naast me loopt John en daarnaast loopt Emma. Ik probeer hun ritme aan te houden en mijn hartslag blijft net onder de 150. Mooi. Met een blik op mijn stopwatch probeer ik mijn eindtijd te berekenen. Als ik verward raak in de decimalen achter de komma, geef ik het op. Er staat een groepje Afrikaanse drummers langs de kant. Ze geven een iets sneller ritme aan, dat ik bijna vanzelf overneem. Ik zie dat het bij John en Emma ook zo werkt. We gaan daardoor nu iets sneller. Mijn hartslag loopt op naar 152. Zou dat erg zijn? Zolang ik me er goed bij voel, vast niet. We praten niet, sparen onze energie. We, dat zijn John en ik. Emma loopt zo sterk, het lijkt haar helemaal geen moeite te kosten. Daar komt ze alweer aan met water. 15 kilometer. Terwijl we drinken, wandelen we even. Toch wel lekker, dat wandelen. Er ligt een krakend tapijt van kapotgelopen plastic bekertjes op het wegdek. Daartussen plassen water. We rennen weer. Nog maar een kilometer of zes en dan ben ik op de helft. Ik schuif alvast iets naar rechts op. Hij stond rechts, had hij gezegd.

‘Hé, Marleen, hier! Hier!’ schreeuwt een bekende stem. Tussen tientallen vreemde gezichten zie ik onze supporters staan.  Die van mij hangt over een reling met in zijn ene hand een geschilde banaan en een geopend flesje AA in zijn andere. Ik prop een stuk banaan in mijn mond en sjor mijn jasje los. ‘Hoe gaat het?’ vraagt hij. ‘Mwah, gaat nog wel,’ mompel ik met volle mond. Eigenlijk ben ik best al moe, maar dat wil ik niet zeggen. Niet waar hebben. ‘2.15 uur,’ zegt hij. ‘Helemaal niet verkeerd. Dat wordt 4.30 uur. Prima.’  Naast me eet John een kwart sinaasappel. Emma hapt in een banaan en verder gaan we weer. 

Ik begin nu goed te merken dat ik al een flink eind gelopen heb; mijn hartslag zit constant rond de 155. De helft zit erop, ik zou kunnen gaan aftellen. Brr, nee, nog maar niet. Nog 19 kilometer te gaan, niet aan denken. Afleiden. Denk aan iets anders.  Waar ben ik? Geen idee. Grijze flats. Voormalig Oost-Berlijn? Misschien wel, misschien niet. Blaasorkest met Heimatmuziek. Leuk. Alweer voorbij. 

Hé, kijk daar het 27 kilometerbord! Heb ik de 25 dan gemist? Ineens zie ik dan de gele streep op het wegdek. De ideale lijn. Speciaal voor de marathon op het wegdek geschilderd. Ik probeer in de buurt van verfstreep te blijven, maar ik ben niet de enige. Een jongen in een groen shirtje loopt er consequent overheen. Hij zwaait zijn linkervoet een beetje raar uit. Toch lijkt hij wel gemakkelijk te lopen, makkelijker dan ik. Het waait. Ik haal adem door mijn mond, probeer met grote happen veel lucht binnen te halen, maar alle zuurstof lijkt uit de lucht te zijn verdwenen. Mijn hartslag loopt op naar 158. ‘Lopen jullie maar door, ik moet iets langzamer.’ zeg ik tegen Emma. Ze lopen niet door, maar blijven bij me. John sloft ook al een beetje. Emma loopt nog steeds supersoepel. Ze geeft me een natte spons die ik uitknijp in mijn nek. Water drijft over mijn rug omlaag. Lekker. Het is veel warmer dan ze voorspeld hebben, voor mij hoeft dat niet. Ik heb nog liever regen. Of kou,

Bij 30 kilometer klok ik mijn tijd. 3.12 uur. Dat is 1.04 uur op 10 kilometer, dat is op 40 kilometer… 4 uur 16 en dan nog 2 kilometer in een tempo van… dat moet dan binnen 14 minuten. Oei, dat wordt krap. En ik begin nu echt moe te worden. Mijn benen voelen prima, geen kramp, geen spierpijn, hijgen hoef ik ook niet echt, maar ik ben gewoon helemaal moe. Zware benen. Loodzware benen. En geen zin meer. Er komt hoofdpijn op. Mocht ik maar een stukje wandelen, dat zou fijn zijn. Is dit nu de man met de hamer? Dat je geen energie meer hebt? Komt dit door het overschakelen van de koolhydraatverbranding op de vetverbranding? Wat het ook is, het voelt alsof ik bergop moet. 

‘Is het hier vals plat?’ informeer ik en kijk opzij. Emma haalt haar schouders op. ‘Volgens mij wel,’ zegt John. Zijn gezicht is rood aangelopen en zijn ogen staan diep. Dan zegt Emma toegeeflijk: ‘Een beetje misschien.’

Bij 35 kilometerpunt drinken we weer. Het water klotst in mijn buik. Ik ben bang dat ik straks weer moet plassen, maar hou me voor dat ik ook vocht verdamp. Mijn hoofdpijn zet door. Ik zie dat de mensen langs de kant in hun handen klappen. Is dat voor mij? Dan moet ik op zijn minst kijken of ik het leuk vind. Even lukt het me om een glimlachje naar de kant te sturen, dan heb ik weer al mijn kracht nodig om mijn benen op te tillen en weer neer te zetten. Op… neer… en weer op… en neer…  John vertraagt, hij wandelt bijna. Dankbaar vertraag ik mee. Mijn doel, binnen de 4.30 uur kan me gestolen worden. We zijn niet de enigen die het zwaar hebben. Sommigen zitten langs de kant. Er zijn er die sjokken. Anderen strompelen alleen nog maar. Nog 6 kilometer. Aftellen mag nu.  

Allé, die Gelben,’ roept iemand uit het publiek. Die Gelben, dat zijn wij, met onze gele shirtjes. Even gaat het iets beter, maar na een 200 meter zijn we weer doodmoe. We passeren lopers die zich stapje voor stapje naar de eindstreep worstelen, ze schuifelen en strompelen. Het maakt allemaal niet uit, zolang de afstand tot de finish maar korter wordt.

‘Nog maar een klein stukje,’ hoor ik roepen. Klein stukje? Jij hebt er geen bal verstand van, denk ik kwaad. Nog 4 kilometer, dat is met dit tempo nog bijna een half uur. Dat is van ons huis tot aan de voetbalvelden en terug. Kom op niet zeuren, je wilde dit zelf, je hebt geen kramp en eigenlijk heeft hij gelijk. Op 42 is 4 niet veel. Ik stel me onze straat voor, hoe ik de bocht om hobbel, over het voetpad en dan de weg oversteek. Een klein stukje fietspad en dan zie ik in de verte de lichtmasten van het voetbalveld al liggen. 

Daar is het 40 km bord. John blijft achter. Ik hou een beetje in. ‘Loop jij maar door,’ zegt Emma. ‘Ik blijf bij John.’ Ik aarzel. ‘Toe maar,’ spoort ze me aan. Ik probeer mijn trucje van zonet weer op te pakken, maar het lukt niet meer. Waar blijft het 41 km punt? Ik hoor vage muziek. Links en rechts van de weg staan toeschouwers. Ze juichen. Klappen. Schreeuwen. De muziek klinkt luider en luider.

Nu telt het echt af. 1000 meter, 750 meter, 500 meter… Ineens lijken mijn benen weer soepel. De finishboog komt in zicht. Nog 200 meter… 100… de finish!

Ik merk nauwelijks dat iemand een medaille aan een rood-geel-zwart lint om mijn nek hangt. Er wordt me een flesje AA in mijn handen geduwd en iemand slaat zorgzaam een isoleerdeken om me heen. Op het eerste het beste stoeprandje laat ik me vallen. Kapot. Mijn stopwatch staat stil op 4 uur, 37 minuten en 47 seconden. Mijn hartslag is nog 162. 

Daar zijn John en Emma. Ze feliciteren me met mijn eerste marathon. Met benen stijf als stoelpoten sta ik op. Ik wil blij en trots terug feliciteren, maar ik moet halsoverkop een plek opzoeken waar ik kan overgeven. Pijnlijk protesteren mijn benen als ik ze vraag of ze terug willen lopen. Ik ben moe als nooit tevoren; mijn wangen voelen korrelig aan van het opgedroogde zweet, ik ben echt totaal uitgeput, maar tegelijkertijd blij en trots.

Nummer F9012 is gefinisht als 330ste in de leeftijdsklasse Weiber über 45, en heeft Gesamtplatz 17896 in iets meer dan viereneenhalf uur.