Blaw druufkes

Voor onderstaand verhaaltje is het handig te weten dat ik Limburgse ben, bij voorkeur Limburgs dialect praat en dat mijn kleinkinderen niet in Limburg wonen en dus niet het voordeel hebben tweetalig op te groeien. 

Van de week maakte ik met mijn vierjarige kleindochter een wandelingetje door onze buurt. Na de verplichte nummers, (de kippen, het trappetje van huisnummer 16 en de kerktrap op en af) was er ruimte en aandacht voor de taal en de lente.

‘Oma, jij zegt doef, en ik zeg duif, maar ik kan ook doefzeggen, hoor.’ ‘Goed zo meid!’  We repeteerden: duif – doef; druif – droef ; huis–hoes …  Ze zei het perfect na. Ook het ‘Jao hè oma?’ klonk me als muziek in de oren.

Daarna schakelden we over op de lente. Ze corrigeerde me: de bloemetjes aan de bomen waren geen bloemetjes, dat was bloesem! Ik wees haar de paosblome en de blauwe druifjes. ‘Blaw druufkes,’ zei ze trots.

‘Waat bös se toch e slum maedje, det klop, jas det zeen blaw druufkes,’ zei ik, want slimheid moet beloond worden. Maar het klonk toch raar in mijn oren. De naam ‘blauwe druifjes’ zit – hoewel ik volbloed Limburgse ben – al mijn hele leven in het ABN in mijn hoofd.

Bijna thuis kwamen we een aardige buurtgenoot tegen. Hij bleef staan voor een praatje over het voorjaar, de bloesem en de bloemetjes. Pronkend met haar nieuwe wijsheid wees mijn kleindochter naar een pol blauwe druifjes: ‘Dat zijn blaw druufkes.’ 

‘Inderdaad, ‘blauwe druifjes’, beaamde de man en liet zowel mij als mijn kleindochter in verwarring achter.