Er was eens…

… een kleindochter die kwam logeren. En naast koekjes en appelsap houdt ze er ook erg van voorgelezen te worden. Ze komt meteen met het sprookjesboek aanzetten. Het boek valt open bij De wolf en de zeven geitjes, haar favoriete verhaal.

 

 Waarom ze altijd dat verhaal kiest, weet ik niet. Misschien vanwege de heldenrol van het kleinste geitje; zelf is ze met haar drie jaar de kleinste van het stel. Onder het voorlezen pas ik het verhaal een beetje aan, laat wat gruwelijke details weg. Na twee keer gaat ze spelen. Bij het naar bed gaan moet er weer voorgelezen worden. Weer de Wolf met de zeven geitjes. Ik doe de vlugge versie, uit mijn hoofd en in het halfdonker. Dit valt niet goed. ‘Oma, je moet bij me blijven, ik ben bang.’ Ik probeer haar ervan te overtuigen dat er geen wolven zijn, dat alle deuren en ramen gesloten zijn en dat opa beneden de wacht houdt. Het helpt niet. Ze blijft bang. Ik praat een tuin met zingende vogeltjes, fladderende vlinders en roze bloemetjes in haar hoofd. Dat werkt… maar niet lang. Vier keer wordt ze wakker die nacht en ze is pas rustig als ik bij haar ga liggen.

Terwijl zij langzaam in slaap valt, denk ik na over sprookjes. Het zijn echt niet allemaal leuke verhalen. Zoals die geitjes, ze doen hun best maar zijn niet opgewassen tegen de sluwe wolf en worden dan in een hap opgegeten. Daarna het verdriet van de moeder… en het openknippen van de buik van de wolf… Nee morgen geen Geitjes meer. Die lieve Roodkapje, wordt verslonden als ze haar zieke grootmoeder gaat opzoeken. Hans en Grietje dan? Waarin ouders hun kinderen achterlaten in het bos? Ook niet geschikt. Doornroosje… wie wil er nou honderd jaar slapen? Sneeuwwitje dan? Die kabouters zijn wel schattig, maar ze komt wel dood in een glazen kist terecht. Of Klein duimpje? Hij zorgt ervoor dat de reus zijn eigen dochters opeet… Na een poosje heb ik de oplossing: Assepoester! Die heeft het eerst een beetje moeilijk, maar eindigt met wat kunst-en vliegwerk als prinses.

’s Morgens vertel ik mijn kleindochter dat we de Wolf en de zeven geitjes wegleggen tot ze wat groter is en er niet meer bang van wordt. Ik zie aan haar ogen dat ze dat niet zomaar wil laten gebeuren. ‘Ja, maar oma,’ werpt ze tegen. ‘Ik ben alleen bang in de nácht, niet in de mórgen.’