Duif

Ik was bij mijn vriendin Eline op de koffie. We zaten in hun grote achtertuin en keken toe hoe haar man Sjaak eerst de vissen in de vijver voerde en daarna zorgzaam noten voor de eekhoorns klaarlegde.
Eline houdt van bloemen, haar gezin en een schoon huis.
Sjaak houdt vooral van vogels, vissen, bergtochten, bos en hei. En natuurlijk ook van Eline en de kinderen.
Nadat Sjaak het vogelbadje had bijgevuld, keek hij zoekend om zich heen.
‘Sjaak mist Doortje,’ souffleerde Eline. ‘Niet over praten.’
Hoofdschuddend ging hij zitten.
‘Is er wat, Sjaak,’ vroeg ik. Ik kon het niet laten. Naast mij gromde Eline.
Hij ging rechtop zitten en begon enthousiast te vertellen.
‘Op een avond, ongeveer een maand geleden zat dáár onder de boom een duif. Het arme dier was totaal uitgeput. Het was een geringde postduif uit België. Ik heb haar Doortje genoemd, haar gevoerd en verzorgd en-’
‘En vanmorgen vloog ze weg,’ onderbrak Eline hem. ‘Sjaak, je hebt Doortje goed verzorgd, ze was weer fit en dus vloog ze naar huis. Zo gaat dat met dieren.’
‘Weet ik,’ antwoordde Sjaak, ‘maar-’
‘Ja, zeg je had toch geen afscheidskaartje verwacht?’
‘Nou, je gaat je toch aan zo’n beestje hechten.’ Hij klonk beteuterd.
Even later klonk er roekoe vanaf het garagedak. Doortje was teruggekeerd!
Verheugd sprong Sjaak op.
Ik mocht de glans van haar groenblauwe keel bewonderen en ik zei dat ze er inderdaad blakend uitzag.
Sjaak straalde en Eline rolde met haar ogen.
Vanmorgen belde Sjaak. Hij had Eline voor een stedentripje naar het vliegveld gebracht. Ja Eline had gebeld, ze was goed geland en ik moest de groeten hebben.
En ze hadden Doortje meegenomen in een doos met luchtgaten op de achterbank. Ja, Doortje was nu helemaal fit en zo’n dier moest toch de ruimte hebben, hè. Op een beboste heuvel, anderhalf uur rijden van huis, had hij haar de wijde wereld ingeworpen. Het moest, hè.
Nu was hij weer thuis, en eh…, Doortje was er ook. Ze was weer helemaal teruggevlogen. Knap, hè. Maar hij had nog wat. Het slaapkamerraam was open blijven staan. Doortje was erdoor naar binnen gevlogen… en ze had Elines dekbed vol gescheten… Kon hij dat laten liggen totdat Eline terug was?

de nieuwe jas

Het is gelukt. Eindelijk geslaagd voor een nieuwe herenjas.
We vonden hem in een winkel waar ook dertigers en veertigers voor outfit naar toe gaan. De nieuwe jas was melkchocoladebruin, met een héél klein beetje oranje.
Hij hield de jas op een armlengte voor zich. ‘Kan dat wel, dat oranje?’ vroeg hij.
‘Het oranje zit aan de binnenkant, schat!’
‘Oké dan, als jij denkt dat het kán.’
Opgelucht kochten we de jas. Terwijl hij hem aan de kapstok hing, vroeg hij: ‘M’n groene hoeft toch nog niet weg, zeker?’
‘We laten de groene nog even hangen,’ beloofde ik. Achteraf nogal roekeloos.
Sinds vier dagen hangt de nieuwe bruine dus aan onze kapstok. Naast de overjarige donkergroene die zo lekker zit, die zoveel handige zakken heeft en die précies de goede lengte heeft voor in de auto.
Wat was er eigenlijk mis met groen? Niets toch? Behalve dan dat de groene jas voor mij al enige jaren ‘in de verlenging’ zit. Voor een vleugje jeugd en joligheid heb ik er twee jaar geleden een sjaal bijgekocht. Tevergeefs trouwens. Hij liet hem in de trein liggen.
Gisteren ging hij met vrienden wandelen. Met in elke hand een jas vroeg hij: ‘Trek ik mijn nieuwe jas aan? Of de oude groene?’ De groene had de voorkeur, dat hoorde ik duidelijk.
‘Doe die nieuwe maar aan. Je vrienden zijn ook altijd vlot gekleed,’ was mijn antwoord.
’s Avonds kwam hij terug.
Hij was uitgegleden in de modder.
Vlak naast een weiland.
Met prikkeldraad.
‘Had ik maar…’
‘Ja, had je maar…’
‘Goed dat ik die groene nog heb.’
Zucht. ‘Ja.’

Billen

Met mijn kleindochter van bijna drie deed ik een boodschap, zij met haar poppenwagen en ik met haar zusje in de wandelwagen. Bij elke boom, steen en grasspriet bleef ze staan. Elke eend en elke gans werd bewonderd en bij elke hond-in-aantocht werd een omweg gemaakt. Het was heel gezellig.
Maar het schoot dus voor geen meter op en na een uur treuzelen raakte mijn geduld een beetje op. Om haar in een hogere versnelling te krijgen, liep ik een eindje voor haar uit.
‘Oma?’ hoorde ik achter me en de poppenwagen piepte iets sneller.
Mooi. De truc werkte blijkbaar. ‘Ja?’
‘Ik heb mooie billen.’
Verbaasd bleef ik staan en keek haar aan.
Ze knikte serieus naar me. ‘Jij hebt ook mooie billen. Laat ’ns zien?’
Lachend tilde ik mijn jas een beetje op. Daar was ze gelukkig tevreden mee.
Thuis vertelde ik het voorval aan mijn schoonzoon.
‘Ja,’ zei hij, ‘ze zei van mij ook dat ik een mooie buik had.’
Toen ik naar zijn buik keek, wist ik dat zij met ‘mooi’ iets anders bedoelde dan ik.

Etiket

Etiket

Ik viel voor een lichtblauw bloesje. Niet dat ik het echt nodig had, het was gewoon te leuk om te laten hangen. Het bedekte wat bedekt moest blijven, was strijkvrij, betaalbaar en perfect voor het feestje van volgende week.
Maar er was ook een nadeel: een langs vier zijden stevig vastgenaaid merketiket. Plus een maatetiket. Terwijl ik het bloesje binnenste buiten keerde, telde ik in de zijnaad nóg drie etiketten. Een lang wit geval wapperde me zijn wasadvies toe, een middellang etiket vertelde mij trots hoe modern het weefsel was en het korte etiketje deed me een reserveknoopje cadeau.
Het etiket op het borstzakje mocht blijven zitten, maar thuis, aan de keukentafel knipte ik het maatetiket er als eerste uit. Bij het merkje moest het tornmesje eraan te pas komen. Dat was bittere noodzaak vanwege een irritante haast onzichtbare plastic jeukdraad. Het kostte me tien minuten. Daarna was de zijnaad aan de beurt. Het uit de kluiten gewassen etiket was minstens tien centimeter lang, gemaakt van een vervelend plastic materiaal. Het zou me dag in dag uit in mijn zij blijven prikken. Zonder pardon ging de schaar erin.
Secuur knipte ik langs randen, naden en zomen, prutste aan achtergebleven restjes, verwijderde losse draadjes, repareerde een miniem schaarslippertje en eindelijk was mijn bloesje draagbaar.
Toch had ik tijdens het feestje last van prikkende jeuk in mijn linkerzij. Op het toilet controleerde ik mijn bloesje aan de binnenkant op etiketrestanten. Alles was netjes verwijderd.
Maar al die rode vlekken in mijn zij?
Toch maar een bezoekje aan de huisarts.
Het waren het niet de etiketten. Ten onrechte heb ik ze verdacht van jeukmakerij.
De diagnose was gordelroos, de volwassen versie van waterpokken.
Tja, dat jeukt natuurlijk óók.

Foutje

Foutje

 

 

 

 

 

Vorige week verloor mijn oude MP3 speler (museumitem, ja) een klein grijs afdekknopje waardoor de data-in-en uitgang open kwam te liggen. Omdat ik ook het batterijcompartiment al sinds jaar en dag met plakband moet dichtplakken, vond ik het hoog tijd voor een nieuw apparaatje.
Misschien denk je, MP3 spelers zijn uit de mode, maar in de mijne zit een Belgische juffrouw die me na een griepje of een blessure weer helpt vijf kilometer aan een stuk te rennen. Voor mij onmisbaar dus.

Na een half uur zoeken in een grote elektronica- en witgoed winkel had ik een nieuwe gevonden. Meteen de volgende dag mijn renschoenen aan, oortjes in, spelertje aangezet en hopla de deur uit. Nee dus, de toetsjes werkten niet naar behoren. Terug naar de winkel en – omdat ik aan plakband geen gebrek heb – het apparaatje maar weer ingeleverd. Onderweg naar de kassa om het geld terug te krijgen zag ik een bak met goedkope toetsenborden. Op de doos stond everest, arabic en qwerty, op de bak stond 7 euro, maar 7 euro! Van mijn toetsenbord zijn de n en de e al tijden verdwenen, dus meteen meegenomen.

Ook moest ik nog even in de boekwinkel zijn. Daar kreeg ik een enorme schok, kick beter gezegd. Mijn boek, Tussen twee grenzen, lag op plek 1 van de top tien boeken. Foutje van het winkelpersoneel natuurlijk. Maar toch… ik had heel even het gevoel hoe het zou zijn als…
Thuis verwisselde ik meteen de toetsenborden, maar, haastige spoed is dus echt nooit goed, en arabic is inderdaad Arabisch. Morgen dus weer terug naar de elektronicawinkel.

Maar de boekwinkel sla ik over, want mijn boek lag daar zo mooi …

 

bouwput

Bouwput

Onze hotelkamer kijkt uit op een bouwput. Vanaf een groot bord deelt een geelgehelmde bouwvakker mee dat de stad binnenkort een ultramoderne ondergrondse parkeergarage rijker zal zijn. Simpel is het niet, zo’n parkeergarage bouwen. Een elf-verdiepingen flatgebouw moest worden neergehaald en in vrachtwagenporties afgevoerd. Een langdurige project als dit kan vaak rekenen op een vaste groep belangstellenden. Hier bestaat dit publiek uit een clubje oudere mannen dat van de zijlijn de voortgang onder de loep neemt. Bij het bespreken zijn brede armzwaaien, twijfelend hoofdschudden en zelfgedraaide sigaretten nodig.
Er is van alles te zien. De omheining, de directiekeet, bulldozers, bouwkranen, vrachtwagens en natuurlijk de mannen die het werk uitvoeren zoals zij het vroeger nooit gedaan zouden hebben.
Ik kijk met plezier naar wat zich allemaal rond de bouwput afspeelt.
Mijn lievelingsbouwputman is van het kwieke pezige soort en hij beweegt rap als een eekhoorn. Was hij veertig jaar jonger, dan droeg hij vast gympen en een stoere bandana. Nu draagt hij een fleecevest en een afgedragen spijkerbroek. Meestal staat hij aan de rand van het groepje en wacht tot hij erbij wordt gehaald voor zijn deskundig commentaar. Ik zie dan hoe hij met een grote veegbeweging van zijn arm alle stellingen verwerpt en iets geheel eigens te berde brengt. In een kringetje staan ze dan om hem heen en knikken bevestigend. Even later kan de Eekhoorn met opgeheven hoofd het strijdtoneel verlaten. Op naar moeder de vrouw die wacht met het eten.
Vandaag is het zaterdag. Er wordt vandaag niet gewerkt. Huisvrouwen sjouwen hun weekendboodschappen huiswaarts. Honden worden uitgelaten en duiven koeren in de armetierige boom waaronder de bouwputmannen hebben zich hebben verzameld. De Eekhoorn is present en middenin zijn show van vandaag gebeurt het: terwijl hij met een zwierig gebaar zijn rechterhand uit zijn broekzak opdiept en naar een opgemetseld muurtje wijst, vliegt er een duif uit de boom op en laat zijn witte schijtsliert precies op het hoofd van de Eekhoorn vallen. De mannen bulderen het uit terwijl de stinkende massa langzaam naar beneden druipt.
Ik zie aan de vinnige pas waarmee de Eekhoorn afdruipt dat hij geen vogelliefhebber is.

Murphy

Murphy
de wet van Murphy

Ik had het niet moeten doen, die doek met de wet van Murphy erop, meebrengen uit Ierland. Ik wist toch hoe het werkte? Ik had toch al vaker meegemaakt dat als er iets fout kan gaan, dat dan inderdaad ook fout gaat.’
Bijvoorbeeld, de picknickplek. Je bent aan het wandelen of aan het fietsen en zoekt een leuk plekje om je boterhammen op te eten. Niet te vinden. Je strijkt tenslotte ergens in de berm neer. Blijkt vijfhonderd meter verder een ideale bank gestaan te hebben.
De griepprik. Ik kreeg er een uitnodiging voor van de huisarts. De dag nadat ik afbelde -omdat ik me nog jong en gezond voel – begon ik te niezen, kreeg koorts en werd snipverkouden. Drie weken lang kon ik de deur niet uit zonder zakdoeken en hoestbonbons.
De bril. De kaart van de opticien voor controle van ogen en leesbril was geformuleerd in de trant van ‘Want het zijn toch je ogen, nietwaar?’ Ja, en een nieuwe bril is goed voor jouw kassa, dacht ik en scheurde resoluut de kaart doormidden. ’s Avonds, – ik lees altijd in bed- liet het rechterpootje van mijn bril los en het minuscule schroefje verdween onder het bed. Spoorloos en zonder bril dus onvindbaar.
Oké, dat soort dingen gebeurt, dat hoeft niets per se iets te maken te hebben met Murphy.
Maar wat te denken van gisteren?
Ons vliegtuig uit Ierland kwam te laat aan op Schiphol. Trein weg. Laatste bus naar huis weg en we strandden in Sittard. Op zondagavond. Om 23.48 uur. (Ja dat klopt.)
Geen taxi te bekennen. (Ja dat klopt ook, het is Sittard hè, niet Utrecht of Amsterdam) Rechtsomkeer gemaakt en net nog hijgend de stoptrein naar Schinnen gehaald. Vervolgens met een ratelend koffertje te voet op weg van het ene slapende dorp naar het andere. Toen wist ik het zeker: de wet van Murphy bestaat: ik had die doek niet moeten kopen.

Streep

Meryl Streep

‘Is dat Meryl Streep?’ siste ik. Met mijn hoofd wees ik naar het tafeltje dat een paar meter van ons vandaan stond.
Mijn vriendin, – Streep fan met stip – ging iets verzitten. ‘Ze lijkt er wel op,’ fluisterde ze blozend. Meteen daarna schudde ze haar hoofd. ‘Nee, dat kan niet. Wat moet die in ons dorp?’
‘Anoniem op vakantie?’ Onopvallend verschoof ik mijn stoel zodat ik beter kon kijken. Was de blonde vrouw die daar zo gewoon met een wit biertje zat, werkelijk de beroemde filmster? Ze had blond haar, net als Meryl en ze lachte net zo mooi. Ik deed alsof ik iets in mijn tas zocht en gluurde verder. Naast haar zat een man van dertien in een dozijn, een huis-tuin-en-keukenman eerste klas. Hij kwam me bekend voor, maar ik kon niet bedenken waarvan.
Mijn vriendin richtte ook haar blikken op het tweetal naast ons. Vervolgens boog ze zich naar me toe. ‘Die man die bij haar is, wie zou dat zijn?’
Ik haalde mijn schouders op. ‘Misschien een nieuwe vriend?’
‘Ze kan het best zijn,‘ zei mijn vriendin. Ik hoorde de opwinding in haar stem. ‘Kijk die spitse neus eens, als dat Meryl Streep niet is, dan weet ik het niet.’
Tevreden leunde ik achterover, maar schoot snel weer rechtop. ‘Zullen we vragen of we met haar op de foto mogen?’
‘Als ze het echt is, dan ze zoekt de anonimiteit.’ Mijn vriendin schudde haar hoofd. ‘Nee, dat mogen we haar niet aandoen.’
Terwijl ik daarover nadacht, keek ik het terras rond. Waren wij werkelijk de enigen die deze wereldberoemde filmster herkenden? Het leek er wel op. Ik wenkte de ober en bestelde een tweede rondje koffie.
De man die naast Streep zat, wenkte ook. Ik zat op het puntje van mijn stoel toen ik de ober yes please hoorde zeggen. Zie je wel, ze wás het! De ober sprak niet voor niets Engels. En kijk hem eens buigen en lachen.
Streeps begeleider wees naar de lege bierglazen. ‘Doontj ós nag ‘ns ei beer, estebleef.’
Dat was onvervalst Limburgs!
Toen pas schoot me te binnen dat de man op onze nieuwe bakker leek.
Zijn vrouw kende ik nog niet.