Worry Geber

Worry Geber (in ’t Limburgs geschreven)

‘t Doerdje effe veurdet mien buurvrouw häöre nuje jas haw toegerits. Daodoor ging bie mich e lempke aan. ‘ ’Ne jas van Worry Geber?’ Det ze geine angere kós höbbe, wis ich beinao zeker, want ich waas vurge maondj ouch veur ’ne jas oet gewaes. En doe haw ich in ’n klasse-entoeraasj Worry Geber van kortbie mitgemaak.

De vloerbedaekking van de jassewinkel waas zach en tösse de rekke door golfdje aangepasdje meziek. Ein verkuipster mit greungevefdje naegel leet mich ’ne blawwe jas zeen. ‘Deze is noe veur de haelf. Worry Geber! Pas ’m mer ’ns aan. Det is ech e sjnepke.’
Worry Geber… dao wis ich allein mer van det ’t e duur kleijermerk woor.
De blawwe jas waas ’ne nette jas dus ich deej ’m aan.
De verkuipster lag mich de kraag plat en ouch al rook de ganse winkel väöls te väöl nao naomaakblome, de jas waas prima. Allein haw ich get meujte mit de rits.
‘Kom mer, dan help ich uch efkes.’
‘Laot mer, ich pak waal ’ne angere jas.’
Van de volgendje jas ging de rits onneet good toe.
‘Deep doorduje! Kiek, zoea.’ De verkuipster bukdje zich om ’t mich veur te doon. ’t Ergerdje mich det ze deej of ich oppe kleutersjoeal zoot. Ich weit bès waal wie ’n rits toe mót.
‘Ich weit neet of ich waal…’
‘Pas deze ’ns. Dit is ouch ’ne fijne jas.’
Wie mieër det zie vol heel, wie mieër det ich twiefeldje.
Naeve mich stóng ’n anger vrouw ’ne jas te passe wo de rits onneet good van toe ging. Ich loerde nao ’t etiket. Worry Geber! Zuusse waal!
Doe wis ich ’t zeker: Worry Geber zeen sjoean jes, mer dao zitte verdomp lestige ritse in.
Zónger jas ging ich de winkel oet.
Ich hoof geine Worry Geber …
… of ’t mót ’ne zeen mit knuip.

Foutje

Foutje

 

 

 

 

 

Vorige week verloor mijn oude MP3 speler (museumitem, ja) een klein grijs afdekknopje waardoor de data-in-en uitgang open kwam te liggen. Omdat ik ook het batterijcompartiment al sinds jaar en dag met plakband moet dichtplakken, vond ik het hoog tijd voor een nieuw apparaatje.
Misschien denk je, MP3 spelers zijn uit de mode, maar in de mijne zit een Belgische juffrouw die me na een griepje of een blessure weer helpt vijf kilometer aan een stuk te rennen. Voor mij onmisbaar dus.

Na een half uur zoeken in een grote elektronica- en witgoed winkel had ik een nieuwe gevonden. Meteen de volgende dag mijn renschoenen aan, oortjes in, spelertje aangezet en hopla de deur uit. Nee dus, de toetsjes werkten niet naar behoren. Terug naar de winkel en – omdat ik aan plakband geen gebrek heb – het apparaatje maar weer ingeleverd. Onderweg naar de kassa om het geld terug te krijgen zag ik een bak met goedkope toetsenborden. Op de doos stond everest, arabic en qwerty, op de bak stond 7 euro, maar 7 euro! Van mijn toetsenbord zijn de n en de e al tijden verdwenen, dus meteen meegenomen.

Ook moest ik nog even in de boekwinkel zijn. Daar kreeg ik een enorme schok, kick beter gezegd. Mijn boek, Tussen twee grenzen, lag op plek 1 van de top tien boeken. Foutje van het winkelpersoneel natuurlijk. Maar toch… ik had heel even het gevoel hoe het zou zijn als…
Thuis verwisselde ik meteen de toetsenborden, maar, haastige spoed is dus echt nooit goed, en arabic is inderdaad Arabisch. Morgen dus weer terug naar de elektronicawinkel.

Maar de boekwinkel sla ik over, want mijn boek lag daar zo mooi …

 

Nanowrimo

 

Nanowrimo

In de maand november doe ik weer mee aan de Nanowrimo.
Wat is dat, Nanowrimo?
Het staat voor National Novel Writing Month, een schrijfuitdaging die in Amerika in 1999 is begonnen. Het is de bedoeling in de loop van de maand november de complete eerste versie van een roman te schrijven. Je schrijft elke dag 1666 woorden en dan heb je op 30 november 50.000 woorden. Dat is de omvang van een (dunne) roman.Elke dag zoveel woorden schrijven is best pittig. Vooral als je op dag 1 nog geen flauw idee hebt, waar je verhaal over gaat. Maar dat is ook het leuke eraan; de uitdaging met niets te beginnen. Je schrijft in hoog tempo van het ene idee naar het andere. Omdat je zoveel woorden ‘moet’ schrijven is je fantasie extra hard aan het werk en negeer je dat ingebouwde kritische stemmetje dat zegt dat je bagger aan het schrijven bent. Soms is het inderdaad bagger, maar soms zijn het ook pareltjes die je anders niet gevonden zou hebben.
Voor mij is dit de vijfde keer dat ik meedoe. Drie keer heb ik de eindstreep gehaald en van die drie hebben twee romans de uitgever gehaald. Weliswaar na de nodige herschrijfsessies, maar toch een mooi resultaat.
Nog wat meer cijfers. Tot nu toe heb ik op die manier meer dan 200.000 woorden geschreven, waarvan nog minder dan de helft in de tweede versie overeind blijft. Maar dat is niet erg. Zo ontwikkel ik ideeën, verzin verhaallijnen en bouw leesbare zinnen. Die hopelijk zullen leiden tot een nieuwe roman.

Woorden in de wind

Woorden in de wind

Vanmorgen heb ik een ballon met een brief opgelaten. Vroeger deden we dat onder toeziend oog van de zuster van de zesde klas, nu was ik in gezelschap van de mensen die mee hadden geschreven aan de nieuwe Gedichtenroute van de gemeente Schinnen.

Na enkele toespraakjes in Gasterie de Bokkereyer kregen we een ballon met een brief aan een touwtje. De brief was van de gemeente Schinnen en daarin werd de vinder uitgenodigd om onze mooie gemeente te bezoeken.

Ik liep naar buiten. Mijn ballon wilde meteen omhoog. Hij trok het touwtje strak. Maar we moesten nog even wachten op de fotograaf en intussen dacht ik aan hoe eervol het was dat mijn gedicht in de brief van de gemeente was opgenomen. Ik dacht ook aan de woorden van Tibetaanse gebedsvlaggetjes die met de wind over de wereld reizen.
Toen de foto’s klaar waren, telde de wethouder af en lieten we allemaal tegelijk de touwtjes los. Het was mooi om te zien hoe de ballonnen in de blauwe lucht verdwenen.

Plotseling kwam bij mij het gevoel dat ik als kind kreeg, weer naar boven. Hoe vurig ik toen hoopte dat mijn ballon gevonden zou worden; hoe benieuwd ik was naar die onbekende vinder en naar die onbekende plek… en hoe blij ik zou zijn met een antwoord.
Nog nooit heb ik een antwoord ontvangen.

Dus lieve mensen, zie je een ballon in het veld liggen, in een boom hangen of in het water drijven, kijk dan of het mijn woorden zijn die de wind daar neer heeft gelegd.
Want ik blijf hopen op antwoord.

bouwput

Bouwput

Onze hotelkamer kijkt uit op een bouwput. Vanaf een groot bord deelt een geelgehelmde bouwvakker mee dat de stad binnenkort een ultramoderne ondergrondse parkeergarage rijker zal zijn. Simpel is het niet, zo’n parkeergarage bouwen. Een elf-verdiepingen flatgebouw moest worden neergehaald en in vrachtwagenporties afgevoerd. Een langdurige project als dit kan vaak rekenen op een vaste groep belangstellenden. Hier bestaat dit publiek uit een clubje oudere mannen dat van de zijlijn de voortgang onder de loep neemt. Bij het bespreken zijn brede armzwaaien, twijfelend hoofdschudden en zelfgedraaide sigaretten nodig.
Er is van alles te zien. De omheining, de directiekeet, bulldozers, bouwkranen, vrachtwagens en natuurlijk de mannen die het werk uitvoeren zoals zij het vroeger nooit gedaan zouden hebben.
Ik kijk met plezier naar wat zich allemaal rond de bouwput afspeelt.
Mijn lievelingsbouwputman is van het kwieke pezige soort en hij beweegt rap als een eekhoorn. Was hij veertig jaar jonger, dan droeg hij vast gympen en een stoere bandana. Nu draagt hij een fleecevest en een afgedragen spijkerbroek. Meestal staat hij aan de rand van het groepje en wacht tot hij erbij wordt gehaald voor zijn deskundig commentaar. Ik zie dan hoe hij met een grote veegbeweging van zijn arm alle stellingen verwerpt en iets geheel eigens te berde brengt. In een kringetje staan ze dan om hem heen en knikken bevestigend. Even later kan de Eekhoorn met opgeheven hoofd het strijdtoneel verlaten. Op naar moeder de vrouw die wacht met het eten.
Vandaag is het zaterdag. Er wordt vandaag niet gewerkt. Huisvrouwen sjouwen hun weekendboodschappen huiswaarts. Honden worden uitgelaten en duiven koeren in de armetierige boom waaronder de bouwputmannen hebben zich hebben verzameld. De Eekhoorn is present en middenin zijn show van vandaag gebeurt het: terwijl hij met een zwierig gebaar zijn rechterhand uit zijn broekzak opdiept en naar een opgemetseld muurtje wijst, vliegt er een duif uit de boom op en laat zijn witte schijtsliert precies op het hoofd van de Eekhoorn vallen. De mannen bulderen het uit terwijl de stinkende massa langzaam naar beneden druipt.
Ik zie aan de vinnige pas waarmee de Eekhoorn afdruipt dat hij geen vogelliefhebber is.

Murphy

Murphy
de wet van Murphy

Ik had het niet moeten doen, die doek met de wet van Murphy erop, meebrengen uit Ierland. Ik wist toch hoe het werkte? Ik had toch al vaker meegemaakt dat als er iets fout kan gaan, dat dan inderdaad ook fout gaat.’
Bijvoorbeeld, de picknickplek. Je bent aan het wandelen of aan het fietsen en zoekt een leuk plekje om je boterhammen op te eten. Niet te vinden. Je strijkt tenslotte ergens in de berm neer. Blijkt vijfhonderd meter verder een ideale bank gestaan te hebben.
De griepprik. Ik kreeg er een uitnodiging voor van de huisarts. De dag nadat ik afbelde -omdat ik me nog jong en gezond voel – begon ik te niezen, kreeg koorts en werd snipverkouden. Drie weken lang kon ik de deur niet uit zonder zakdoeken en hoestbonbons.
De bril. De kaart van de opticien voor controle van ogen en leesbril was geformuleerd in de trant van ‘Want het zijn toch je ogen, nietwaar?’ Ja, en een nieuwe bril is goed voor jouw kassa, dacht ik en scheurde resoluut de kaart doormidden. ’s Avonds, – ik lees altijd in bed- liet het rechterpootje van mijn bril los en het minuscule schroefje verdween onder het bed. Spoorloos en zonder bril dus onvindbaar.
Oké, dat soort dingen gebeurt, dat hoeft niets per se iets te maken te hebben met Murphy.
Maar wat te denken van gisteren?
Ons vliegtuig uit Ierland kwam te laat aan op Schiphol. Trein weg. Laatste bus naar huis weg en we strandden in Sittard. Op zondagavond. Om 23.48 uur. (Ja dat klopt.)
Geen taxi te bekennen. (Ja dat klopt ook, het is Sittard hè, niet Utrecht of Amsterdam) Rechtsomkeer gemaakt en net nog hijgend de stoptrein naar Schinnen gehaald. Vervolgens met een ratelend koffertje te voet op weg van het ene slapende dorp naar het andere. Toen wist ik het zeker: de wet van Murphy bestaat: ik had die doek niet moeten kopen.

Boekenmarkt

Boekenmarkt

Wat is er mooier voor een boekenliefhebber dan een goede boekenmarkt?
Niets toch? Een boekenmarkt is een eldorado voor boekenliefhebbers.
De bekendste is de boekenmarkt van Deventer. Daar heb je op een zondag in augustus zes kilometer zwart-op-witte zaligheid binnen handbereik. Langs de IJssel en in het centrum staan honderden boekenkraampjes vol kratten, dozen en bakken met daarin ontelbare boeken wachtend op een nieuwe eigenaar. Ook de boekenmarkt van Kelpen begin oktober is de moeite waard.
Jammer genoeg zit er sinds vorig jaar voor mij ook een schaduwkant aan boekenmarkten. (Nee, het was niet het moment waarop ik mijn eigen boeken aangeprezen kreeg, al was dat wel een rare gewaarwording.)
Ik liep te genieten van de enorme hoeveelheid lectuur om me heen. Ik kocht zoveel boeken dat mijn armen pijn deden van het gewicht en dat mijn tas kapot ging, maar dat was niet het ergste.
Het ging pas fout toen ik me afvroeg of ik – als schrijver – nog iets aan deze gigantische berg woorden dacht te kunnen toevoegen. Want wie was ik nou helemaal? Waarom zat ik eigenlijk uur na uur op mijn manuscripten te zwoegen? Zou ik me niet beter appeltaarten kunnen bakken? Voorleesmoeder worden? Fietsbanden plakken? Kranten bezorgen? Groenten kweken?
In elk geval sla ik dit jaar de Deventer boekenmarkt over.
Om te kijken hoe het gras groeit… en zo.

12000

12.000 (in het Limburgs geschreven)

Omdet ich mieër mót bewaege höb ich noe ’ne activity maeter. Dae zuut oet wie ’ne zwarte ermbandj mit e vinsterke wo se in kins aaflaeze wieväöl calorieë se verbroek höbs, wie laat ’t is en wieväöl stappe se dae daag nag mos make om gezóndj te blieve. Normaal zeen d’r det 10.000, mer óm mien vètrolle kwiet te waere höb ich mich det opgehuueg toet 12.000. (Det is van biej ós toet oppe Brunssummerhei, toet oppe mert in Zittert of toet biej de Hamacher in Gangelt.)
Dizmorge, wie ich mich ’t dink omdeej, haw ich al 300 calorieje verbroek. Mit slaope! Det geit van allein, dach ich, mer wie ich wiejer keek, zoog ich det ich dae daag nag 120 menute mós wanjele om aan mien 12.000 stappe te kómme. Ich stóng get dökker op óm mich ’n tas koffie te make. Leep de trap extra op en aaf, voordje boete de veugelkes en ging te voot nao de breevebus.
Mer óm kóffietied mós ich nag ummer diek 9.000 stappe. Ofwaal 1 oer en 53 menute wanjele. Ofwaal 50 menute renne.
En boete raegende ‘t.
Toch zat ich de computer oet, deej de raengejas aan en ging nao boete om gezóndj te waere.
Ich leep de straot oet en ’t durp oet. Aaf en toe stóng ich stil om op miene maeter te kieke. Ich leep de berg op en de berg weer aaf. Doe de haole waeg in. Dao stóng de maagdepalm paars te bleuje.
De eikelkes ónger mien sjoon kraakdje gezellig.
Ich zoog ‘ne miens dae huij voordje aan zien perd.
Dao loog ’ne tak dae op e hertegewei leek.
Op ’n akker vloog ‘ne zilverreiger op.
’Ne jóng leet ’ne liëlike hóndj oet.
Esse de ouge aope höbs, is van alles te zeen, dach ich. En ’t raegentj neet mieër. Ich deej mich de möts aaf en veuldje de activity maeter euver mien gezich kratse. Verrek jao, dae activity maeter, mien 12.000 stappe!
In ’t vinsterke stóng det ich klaor woor veur vandaag.
En mit plezeer gaon ich morge weer.

Streep

Meryl Streep

‘Is dat Meryl Streep?’ siste ik. Met mijn hoofd wees ik naar het tafeltje dat een paar meter van ons vandaan stond.
Mijn vriendin, – Streep fan met stip – ging iets verzitten. ‘Ze lijkt er wel op,’ fluisterde ze blozend. Meteen daarna schudde ze haar hoofd. ‘Nee, dat kan niet. Wat moet die in ons dorp?’
‘Anoniem op vakantie?’ Onopvallend verschoof ik mijn stoel zodat ik beter kon kijken. Was de blonde vrouw die daar zo gewoon met een wit biertje zat, werkelijk de beroemde filmster? Ze had blond haar, net als Meryl en ze lachte net zo mooi. Ik deed alsof ik iets in mijn tas zocht en gluurde verder. Naast haar zat een man van dertien in een dozijn, een huis-tuin-en-keukenman eerste klas. Hij kwam me bekend voor, maar ik kon niet bedenken waarvan.
Mijn vriendin richtte ook haar blikken op het tweetal naast ons. Vervolgens boog ze zich naar me toe. ‘Die man die bij haar is, wie zou dat zijn?’
Ik haalde mijn schouders op. ‘Misschien een nieuwe vriend?’
‘Ze kan het best zijn,‘ zei mijn vriendin. Ik hoorde de opwinding in haar stem. ‘Kijk die spitse neus eens, als dat Meryl Streep niet is, dan weet ik het niet.’
Tevreden leunde ik achterover, maar schoot snel weer rechtop. ‘Zullen we vragen of we met haar op de foto mogen?’
‘Als ze het echt is, dan ze zoekt de anonimiteit.’ Mijn vriendin schudde haar hoofd. ‘Nee, dat mogen we haar niet aandoen.’
Terwijl ik daarover nadacht, keek ik het terras rond. Waren wij werkelijk de enigen die deze wereldberoemde filmster herkenden? Het leek er wel op. Ik wenkte de ober en bestelde een tweede rondje koffie.
De man die naast Streep zat, wenkte ook. Ik zat op het puntje van mijn stoel toen ik de ober yes please hoorde zeggen. Zie je wel, ze wás het! De ober sprak niet voor niets Engels. En kijk hem eens buigen en lachen.
Streeps begeleider wees naar de lege bierglazen. ‘Doontj ós nag ‘ns ei beer, estebleef.’
Dat was onvervalst Limburgs!
Toen pas schoot me te binnen dat de man op onze nieuwe bakker leek.
Zijn vrouw kende ik nog niet.

Ongerwaeges

Ongerwaeges (in het Limburgs geschreven)

’t Woor ós good aan te zeen det v’r ’t neet gewindj wore óm mit ’n zwaore rökzak berg op en berg aaf te loupe. Nae, v’r wore nag lang gein echte Santiago-pelgrims. Gaondjewaegs de morge veel oos gruupke oetein in drie pluuskes op ’n loeadgrieze berg. Bé leep veurop. Ták ták ták… nietjs tikdje zien stekker oppe stein.
Achter mich leep Em. Det waas poem en haw las vanne maag. Ich bleef staon óm op Em te wachte. Taege de zón in zoog ich ’m lansaam groter waere. Zien haorspange sjitterdje inne zón.
‘Wie wied is ’t nag?’
‘V’r kómme drek in e klei dörpke,’ zag ich. ‘Dao aete v’r ós ’n tas soep.’
Det klein dörpkes soms te klein wore veur soep, wiste v’r allebei. En det de herberg wo v’r haer ginge, nag minstens vief oer loupe woor, wiste v’r ouch.
Em knikdje. ‘Prima. Dan mer de ouge rech veuroet en ’t verstandj op nul.’
Wied veuroet zoge v’r Bé ziene rökzak aafdoon en op ós wachte. Onger ‘ne boum rösdje v’r oet en raapdje ós nao ’n half oer mer weer bei-ein. De route leep langs ’n smaal baek toet in e laevesmeug dörpke. Dao woor gein kip, gein soep en gei water.
Weer wiejer. V’r zónge leedjes en vertèldje oos aafgezaegde verhaole. Wie die op wore, zwege v’r weer.
Inèns stóng dao e bördje: cafe/bar 750 m
Wie berggeite vlóge v’r omhoeag.
In ’ne bóngerd loog ’n boerderie wo ze aete en drinke verkochte…
En wie v’r de boek vol hawwe en huuerdje det se dao ouch kamers verhuurdje, twiefeldje nemes: oetröste, zökke wasse en…ónger ’ne boum ligke.
‘t Woor nag leech wie ich van klokgeloej oet miene late unjer wakker waerdje.’t Geluid koom van hoger oppe berg. ‘Dao ligk e groeat kloeaster,’ wis Bé. ‘Dao bön ich net gewaes kieke. Prachtig geboew.’
‘’t Is bienao zeve oer,’ zag Em. ‘Mesjiens loedje ’t urges veur.’
Bé sjödde van nae. ‘Dao woor nieks loos. Eine man mit ’n sjöp en ’n sjoefel, wiejer höb ich dao nemes gezeen.’
‘V’r gaon toch mer kieke,’ zag ich. ‘Waem witj.’
Aan eine kantj van de binneplaats loog ’n kloeaster, aan de angere kantj ’n kirk. Allebei enorm groeat en good óngerhaje. Mer gei laevendj waeze te zeen.
‘Kiek, ze höbbe hiej ouch ’ne refugio!’ zag Bé.
Oei, ’ne refugio, ’ne pelgrimsherberg! Det goof mich e ongemekkelik geveul. Es pelgrim mósse biej de paters slaope en neet in e luuks pension.
De kirkdeure stónge aope. Mit ós drieje krope v’r in de lèste bank. Veuraan zoot ei koppel aaj vruikes en eine verdwaaldje einzelgänger.
Wie ’t zeven oer sloog, kome zes monnike lansaam de kirk in. Vief van taege de tachtig en eine jóngere. Dae zoog d’r sterk en gezóndj oet. E broen gezich en korte gries haor. Hae zat zich achter ’t harmonium en begós te spele.
‘Det is dae man dae ich gezeen hob, dae mit die sjöp en die sjoefel,’ fluusterde Bé naeve mich.
De tuinman zóng veur. Traog zungeldje zien aaj medebroeders truuk.
Ich kreeg ’t te doon mit dae man. Gans allein mós hae det ganse zaakje aan de gang haje.
En veer slepe luuks. Biej de concurrent.
De gedachte aan waat dae man allemaol oppe nak haw, heel mich de ganse nach oet de slaop. Ich sjaamde mich. Waat waas ich toch veur ’ne pelgrim, de gemekkelike waeg gekaoze, neet èns ’n kaes aangestaoke…
’s Angerendaags, kóme v’r ’m taege, d’n orgelspeler, d’n tuinman en weit ich waat d’r allemaol nag mieer woor. Op ’ne mountainbike koom d’r de berg aaf. Verslete spijkerbóks, ei vaal T-shirt en ’n sjöp oppe rök. Hae stopdje bie ós, zaegendje ós en wunsdje ós bon camino. De goje waeg vinje waas gein probleem, zag ‘r, hae haw ’t paad wiejerdoor alweer in orde gemaak.
Mich vloog ’t blood nao de wange: dae man waas ’n halve heilige en ich…, ich waas nag neet èns ’ne halve pelgrim… mer gelökkig kreeg ich hie net op tied de goje waeg geweze.